Ekkergem  

Ekkergem is een wijk in de Belgische stad Gent. In het westen van het stadscentrum, op de rand van de 16de-eeuwse stadskern. Ekkergem vormt met zijn Sint-Martinusparochie en zijn Sint-Martinuskerk een van de oudste parochies van de stad en bleef vele eeuwen een landelijk gehucht.

Oude vermeldingen van de kerk van Ekkergem gaan terug tot de 10de eeuw. Ook oude vermeldingen van de vroegere hoofdstraat door Ekkergem, de Ekkergemstraat, vroeger Akkergemstraat en Akkergemplaets gaan terug tot die periode. De oudste elementen van de huidige kerk gaan terug tot het einde van de 12de eeuw. Het gebied lag tussen de stadskern en het meersengebied bij de Leie in het zuidwesten. Op het einde van de 13de eeuw werd het leen van ridder Raas van Gavere, het zogenaamde Ser Raas Gerechte en Ekkergem, aan de stad Gent overgedragen.

In de 15de eeuw werd in Ekkergem het klooster van Deynze opgericht, aanvankelijk een refugehuis van het begijnhof van Deinze. In de 16de eeuw bevond zich hier ook een klooster van de zusters Maricolen. Beide kloosters zouden op het eind van het ancien régime worden opgeheven. Op oude landkaarten zijn in Ekkergem verscheidene windmolens te zien.

Ekkergem kwam binnen de 16de-eeuwse stadsomwalling te liggen, maar bleef landelijk en was bekend om zijn tuinbouw en bloementeelt. Ten noorden lag, buiten de omwallingen, het landelijk gehucht Rooigem, ten zuidoosten de Bijloke. Voor de kerk bevond zich een poortje met brug in de omwalling, het Scheiergat of Scheyergat. Door het graven van de Coupure in de 18de eeuw werd Ekkergem enigszins afgescheiden van de stadskern, maar deze Coupure werd ook een nieuwe aantrekkingsas voor de buurt. De Ferrariskaart uit de jaren 1770 toont deze landelijk wijk als "Ackerghem", gelegen aan de stadsrand. In die periode werd aan de Coupure het Rasphuis opgetrokken. Eind 18de eeuw werden onder keizer Jozef II al een deel van de vestingen gesloopt en zo ontstond in het noorden van Ekkergem de promenade Nieuwewandeling.

In de loop van de 19de eeuw werd het gebied verder verstedelijkt, toen een deel van Ekkergem werd verkaveld. In 1860 werden de stadsvesten helemaal gedempt en de volgende jaren werden op de plaats van de vroegere vesten brede boulevards aangelegd. Aan de Nieuwewandeling was nog een open ruimte en daar werd een nieuwe Gevangenis van Gent opgetrokken. Verschillende bedrijven, zoals een vlasfabriek en een blekerij, vestigden zich langs een arm van de Leie in het zuiden van Ekkergem.

In de 20ste eeuw werd Ekkergem verder verstedelijkt. De bedrijven verdwenen uiteindelijk. Het Rasphuis verdween in 1937 en in de plaats kwam de Landbouwhogeschool, nu de campus van de faculteit bio-ingenieurswetenschappen van de Universiteit Gent. Ook het zuidelijk gebied, buiten de vroegere omwalling veranderde grondig. In de jaren 50 werd het eiland Malem verstedelijkt, tot dan toe een landelijk gebied bij Ekkergem. De Leiearm bij Ekkergem werd gedempt en in de Neermeersen werd de Watersportbaan aangelegd. In 1982 verhuisde het Bijlokeziekenhuis, nu onderdeel van het AZ Jan Palfijn Gent, naar nieuwe gebouwen tussen Ekkergem en de Watersportbaan. De promenades op de vroegere stadsvesten werden in de loop van de eeuw als onderdeel van de Gentse stadsring (R40) een drukke verkeersweg, en ook de Nieuwewandeling werd een belangrijke verkeersader door de stad (N430).

Bij het verzamelen van foto’s en documentatiemateriaal heb ik onder andere gebruik gemaakt van beeldmateriaal uit de collectie van archief Gent. Via onderstaande link kom je op hun uitgebreide site:

https://beeldbank.stad.gent/

Voor de beschrijving van huizen en straten verwijs ik naar
https://beeldbank.onroerenderfgoed.be/images?text=gent

 

Ekkergem Geschiedenis
PDF – 433.8 KB 15 downloads

Blaarmeersen

In de Blaarmeersen werden de oudste bekende sporen van menselijke aanwezigheid op het Gentse grondgebied gevonden, zowat 50.000 jaar voor onze tijdsrekening. Maar ook andere delen van de wijk hebben een rijke geschiedenis.

Ekkergem

Ekkergem heeft de viering van zijn duizendjarig bestaan achter de rug. De oudste bouwelementen van de kerk dateren van de 12e eeuw. In de tweede helft van de 19e eeuw werd de stadsvesting afgebroken en onstond op dat tracé een beboomde promenade, thans onderdeel van de drukke binnenring (Antoon Triestlaan – Einde Were). Ekkergem heeft lang zijn landelijk voorkomen behouden. Een belangrijke verandering kwam er in het midden van de 18de eeuw toen er tussen de Leie en de Brugse Vaart een Coupure werd gegraven. De Coupure werd een nieuwe aantrekkingsas. Ekkergem ontwikkelde zich tot een dichtbebouwde woonwijk, vlakbij het centrum.

Bijlokesite

Rond 1250 startte de onwikkeling van de Bijlokesite als hospitaal. De oudst bewaarde bouwrelicten stammen nog uit de 13de eeuw, maar het zijn vooral de bakstenen abdijvleugels uit de 14de-15de eeuw die grote vermaardheid genieten als topvoorbeelden van Vlaamse baksteengotiek. In dezelfde tijd startte de bebouwing van het hele gebied rond de site.

Het Bijlokehospitaal kende een opmerkelijke ontplooiing na het midden van de 19de eeuw, met de bouw van een nieuw burgerlijk hospitaal. Deze architectuur beheerst nog steeds het zuidelijke gevelbeeld langs de Jozef Kluyskensstraat.
In 1912 besloot de Stad Gent de abdijgebouwen om te vormen tot een stedelijk oudheidkundig museum. De barokke poort, geïnspireerd op de voormalige toegang tot het Sint-Elisabethbegijnhof, werd de nieuwe museumtoegang aan de Godshuizenlaan.

Het verdwijnen van de zorgsector in de jaren 1980 leidde tot de herbestemming van gebouwen, voornamelijk rond onderwijs en cultuur. Thans is de site volop in ontwikkeling als een unieke plek voor cultuur en onderwijs.

Blaarmeersen - Neermeersen

De Blaarmeersen - Neermeersen was een moerassig gebied tot de jaren ‘50. De ontsluiting begon met de aanleg van de Nationale Watersportbaan Georges Nachez. Met de uitgegraven aarde werd de omgeving bebouwbaar gemaakt. De aanleg geschiedde volgens de toenmalige opvattingen over architectuur en stedenbouw. Sociale woningbouw, georganiseerd in hoge flatgebouwen (1958-1961), wordt er afgewisseld met open ruimten, groen en zones gereserveerd voor ontspanning en recreatie.
In de oude stadswijk "Ekkergem" werden na de verkaveling van het schietterrein van de Sint-Jorisgilde, het zogenaamde "Sint-Jorispark", in de buurt van de celgevangenis, in de jaren 1840-45 verscheidene nieuwe straten aangelegd op het terrein tussen de Krijgsgasthuisstraat en het zogenaamde "Rasphuis".
Een toepasselijke benaming verwijst naar nabijgelegen instellingen of de bloemen- en groententeelt in de wijk: Brankardier-, Korenbloem-, Kruisboog- en Wintertuinstraat. Het stratenpatroon, uitgegroeid tot een variante van de dambordstructuur, verkreeg in 1903 haar definitieve vorm door rechttrekking, en verlenging of verbreding van de straten en het openstellen van nieuwe straten zoals Karel Lodewijk Dierickx-, Spiegelhof- en Pijlstraat.
Een aantal straten behielden nochtans geheel of gedeeltelijk hun negentiende-eeuws uitzicht: rijhuisjes van twee soms drie bouwlagen met oorspronkelijk bepleisterde lijstgevels met rechthoekige vensters, meestal in eenheidsbebouwing. Bijvoorbeeld Brankardierstraat 2-4-6, 8-22, Korenbloemstraat, Kruisboogstraat en Wintertuinstraat 30-44.
De overige bebouwing illustreert de variatie in de vormentaal van de kleine en middelgrote burgerwoningen en arbeidershuizen uit het eerste kwart van de twintigste eeuw, hoewel het straatsilhouet getuigt van homogeniteit in schaal en sfeer. Het steeds weer voorkomend huistype is kenmerkend voor de eerste decennia van de twintigste eeuw: een smal (gemiddeld twee traveeën), hoog uitgebouwd rijhuis van twee en een halve à drie bouwlagen met enkelhuisopstand: namelijk een smalle deurtravee en ernaast een of twee bredere traveeën boven een souterrain. Stilistisch onderscheidt men in de twintigste-eeuwse straatbeelden enkele typische gevelvormen die echter in grote trekken tot twee categorieën te herleiden zijn.