Schokkebroersvestje of Alexianenvest

Aan de Poel, een van de oudste en merkwaardigste plaatsen van Gent waar ooit eens de machtige middeleeuwse Turrepoort of Torrepoort verrees, was tot in het begin van deze eeuw de Sint-Miechielsveste of Broederkinsveste, ook Schokkebroersvestje geheten, gelegen. Toen het ophield te bestaan en voor goed uit het Gents stadsbeeld verdween, had het een heel, heel lange en soms bewogen geschiedenis achter de rug tijdens dewelke het veel had meegemaakt, gezien en beleefd. Over de Poel, waar ook vandaag nog een aantal mooie gebouwen en herenwoningen uit diverse bouwperiodes aan een groots verleden herinneren, kan men niet schrijven zonder stil te staan bij wat gedurende zoveel eeuwen mede tot de geschiedenis van deze plaats en haar omgeving heeft behoord : het Schokkebroersvestje en zij die er gewoond, geleefd en gewerkt hebben. Maar laten we beginnen bij het begin, bij de oorsprong. De Sint-Miechielsveste behoorde bij de omwalling van de westelijke verdedigingsgordel van de stad bestaande uit : de Gracht - Houtlei - die vóór 1190 en vermoedelijk rond 1100 werd gegraven (over het juiste tijdstip lopen de meningen uiteen); uit de grote, stevige vestingmuur, die beheerst werd door torens en versterkte poorten : het Wijkhuis, de Zandpoort, de Posteernepoort, de Torrepoort, deze laatste ook Drongenpoort of Torhoutpoort genoemd, die gebouwd werd tegen het einde van de 12de eeuw, waarschijnlijk omstreeks 1190. De Gracht omsloot de Sint-Michielswijk, de eerste uitbreiding van de middeleeuwse Gentse stadskern over de Leie- "Overleie"- in de 12de eeuw. Maar reeds in de 14de eeuw verloor de Turrepoort haar nut in het oorspronkelijk verdedigingssysteem en was ze niet meer dienstig voor haar aanvankelijke bestemming. Ze werd ten dele van de hand gedaan en ten dele verpacht. De Gentse Schepenen stonden in 1313 vier bastions, een paar torens en enkele wachthuisjes op de Veste af aan "broederkins", die er een jaarlijkse cijns moesten voor betalen en er zich kwamen vestigen. Die "broederkins" verbleven dus "up een hoochte ghenaemt het vestjen" en deze hoogte kon men vanop de Poel (aan de zuidkant van het pleintje) langs een zachte helling bereiken. De Sint-Miechielsveste was nochtans niet de eerste verblijfplaats van die "broederkins" in onze stad, want volgens De Potter woonden ze achtereenvolgens in het huis "den hoogen Gevel", "tusschen Muide", in de Ieperstraat, aan de Hooiaard en tenslotte op het Vestje. Met die "broederkins" ging het oorspronkelijk om een vereniging van "beggaerden" of lekebroeders, vrome leken, die in ongehuwde staat leefden, zonder geloften af te leggen en geen eigenlijke orde vormden. Ze namen de taak op zich om zieken te verzorgen, ook ten tijde van epidemieën, om doden op te baren en te begraven. Ook bij het verplegen van geestesgestoorden zijn ze werkzaam geweest en zoals we verder zullen zien, werden ze later ook nog met andere opdrachten gelast. Niet enkel in Gent trof men die Broeders aan. Het is waarschijnlijk dat omstreeks dezelfde tijd in Antwerpen ook "Cellezusters" (later Zwartzusters) verschenen. Ze behoorden tot hetzelfde genootschap als de "Cellebroeders. Cellebroeders was maar één van de namen waaronder de Broeders bekend stonden. Ze zouden eerst "Lollarts", "Lollaerds" of "Lollaerden" zijn genoemd. Dat ze ook "Cellebroeders" werden genoemd, zou verband gehouden hebben met het Latijnse woord "cella" dat betekent: kleine kamer, cel; in een tempel : kapel waar het beeld van de godheid stond. De Broeders waren ook gekend onder de naam van "Mattemannen" .Eén der betekenissen van het woord "matte" was immers: armzalige kledij, zodat het niet uitgesloten is dat de benaming "Matteman" daarmee in verband moet worden gebracht. Een "matteke" was een arm meisje of een arm vrouwke. Nu waren er ook, zoals we reeds zegden, Cellezusters of Zusters Cellieten, die men eveneens "Mattewi jven" heette. Ze behoorden tot dezelfde geestelijke vereniging als de Cellebroeders en namen de verzorging op zich van de zieken van het vrouwelijk geslacht. In Antwerpen werden de Zwarte Zusters ook Mattewijven genoemd. In Gent herinnert een straat, die loopt van Onderbergen tot Ingelandgat, namelijk de Jonkvrouw Mattestraat nog steeds aan het bestaan van de Mattewijven. Dat men de Broeders ook de naam gaf van "Schokkebroeders" zou te maken gehad hebben met het feit dat ze, bij het vervoer van doden, op de oneffen en hobbelige wegen danig schokten dat ze in de volksmond een beetje spottend "Schokkebroeders" werden genoemd. Die benaming sprak de mensen waarschijnlijk nogal aan zodat ze die dan ook gemakkelijk gebruikten en het Vestje waar de Broeders verbleven, het "Schokkebroersvestje" noemden. De Broeders op de Veste werden echter ook "Alexianen" genoemd. Dat de Broeders tegen het einde van de 15de eeuw de naam van Alexianen kregen, was geen toeval. Ze hadden immers de H. Alexius, een rijke Romeinse jongeman, die in de 4de-5de eeuw leefde en vrijwillig afstand had gedaan van al zijn bezittingen en goederen, tot beschermheilige gekozen. Na hun erkenning als orde door Rome, legden de Broeders de geloften af van zuiverheid; van derven van eigendom; en van onderdanigheid aan de wettige oversten

Een woordje over de kledij van die Broeders. Aanvankelijk droegen die Broeders een bruin habijt met zwarte kap en een kleine mantel. Later, op het einde van de 15de eeuw, spreekt men van de "Grauwe Broederkins". Blijkbaar was hun oorspronkelijke kledij toen reeds veranderd. Dat zou gebeurd zijn toen ze in november 1459 de regel van St. Augustinus aanvaardden. Ten behoeve van de Schokkebroeders van Gent, Oudenaarde en Brugge, bracht het Bisdom van Doornik enkele wijzigingen aan voormelde regel. De kledij van de Broeders werd in de bulle van de Paus beschreven. Ze bestond uit een lange tuniek, over hun onderkleedsel, met een grijs manteltje, daarover een kap en een zwarte schapulier. De Potter maakt melding van de kroniek van Pater De Jonghe waarin gezegd wordt dat de kledij van de Cellebroeders korter was dan die van de andere kloosterlingen opdat ze hen bij het verzorgen der zieken en het vervoer van lijken niet zou gehinderd hebben of doen struikelen. Hun kledij zou echter belachenswaard geweest zijn, zo voegt De Potter er aan toe, ook hun hoofddeksel dat de vorm had van een vierkante muts. Op het einde van de 17 de eeuw kregen de Broeders toelating om een kleine kap van zwart laken te dragen evenals een lederen mutsje. Ze hadden toen ook een zwarte mantel. Omwille van het werk dat ze leverden, genoten de Broeders, daar waar ze zich gevestigd hadden, veel waardering. Ook hier ten lande, in Gent en in andere steden, bewezen ze grote diensten, niet in het minst ten tijde van epidemieën. Het Gents stadsmagistraat kende de Broeders in 1537 en in 1566 een geldelijke tegemoetkoming toe voor bewezen diensten bij het verzorgen van zieken en het bijstaan van pestlijders maar eveneens voor de hulp die ze boden in gevallen van brand waarbij ze hielpen blussen. Alhoewel de Cellebroeders dus verdienstelijk werk presteerden, schijnen ze toch in Antwerpen moeilijkheden te hebben ondervonden.

Op dat middeleeuws vestje woonden niet alleen "broederkins" maar ook andere mensen en onder deze laatsten waren er enkelen met een beetje aparte zeden en gewoonten. Inderdaad, omstreeks 1422 verbleven er op datzelfde Vestje ook "vraukins" die er plezier maakten en er een nogal frivoolleventje leidden. Ze konden het er goed stellen want ze zaten in het binnensteegje een beetje verscholen, maar ze stoorden door hun lawaai dag en nacht de rust van de Broeders en van andere omwonenden. Het ging zover dat de Broeders bij het Stadsmagistraat een klacht indienden. Tengevolge daarvan kregen de "vraukins" het bevel om binnen de acht dagen op te kramen en te verhuizen.

Was het Schokkebroersvestje werkelijk een "duister" straatje zoals wel eens geschreven wordt? We zijn de mening toegedaan dat we niet te streng moeten zijn in ons oordeel. Het zal daar wel geweest zijn zoals in andere steegjes van middeleeuwse oorsprong waarvan Gent er een aantal met kenschetsende namen telde; dat er mensen van allerlei slag woonden; maar echt onguur? we geloven het niet. Bouwkundig kwam er op het Schokkebroersvestje tijdens het laatste kwart van de 15de eeuw verandering. In 1481 werd er immers op het Vestje door de Broeders een kapel gebouwd. Ze was klein maar toch mooi en bezat een aantal geschilderde ramen. Ze was enkel bereikbaar langs het Schokkebroersvestje.

In 1561 werden de Broeders ontslagen van de betaling van de jaarlijkse cijns die ze sinds het begin van de 14de eeuw verschuldigd waren, toen hen, zoals hoger gezegd, vier bolwerken, een paar torens en wachthuisjes werden afgestaan. Dat ze daar nu werden van ontheven, dankten ze mede aan het feit dat ze toestemden in de afbraak van delen van de Turrepoort, om de stenen die daarvan zouden voortkomen te laten dienen voor de uitvoering van werken aan de Sassevaart. Het was niet zo uitzonderlijk dat stenen voortkomende van de afbraak van torens, poorten of vestingmuren gebruikt werden voor de uitvoering van waterwerken. Zelfs oude grafzerken werden daarvoor aangewend

Tijdens de gewelddadige beeldenstorm werd in het jaar 1566 ook de kapel van de Alexianen niet gespaard maar ernstig beschadigd. Onder het Calvinistisch bewind over de stad (1577 -1584 met Jan van Hembyse en Ryhove) deden de kapel en de kloostergebouwen dienst als gevangenis zodat ze tijdens die periode van verdere vernielingen eigenlijk gespaard bleven. In 1579 werden de Cellebroeders door het Calvinistisch bewind afgeschaft maar nadat aan dat bewind een einde was gesteld, kwamen de Broeders naar hun klooster terug.

We hebben reeds gezegd dat benevens de taken, die de Cellebroeders of Schokkebroeders aanvankelijk op zich hadden genomen, ze later nog met andere werden gelast. Zo zijn ze ook werkzaam geweest bij het bewaken en verplegen van geesteszieken en kregen ze eveneens in de 16de eeuw soms de opdracht om in gevallen, waarin twijfel rees over de wijze waarop iemand aan zijn einde was gekomen, over te gaan tot een lijkschouwing. Bij de Cellebroeders werden ook jongelieden wiens gedrag te wensen overliet, op last van ouders of voogden en met instemming van de overheid, opgesloten. De door de Broeders daarbij toegepaste praktijken schijnen echter niet bij

zonder fraai geweest te zijn en waren soms het voorwerp van zeer ernstige klachten vanwege hen die er het slachtoffer van werden. Zo blijkt dat betrokkenen er in het begin van de 18de eeuw opgesloten werden in een klein, donker kot of in een soort muit, genoemd "de Helle" waarvan de naam alleen reeds laat veronderstellen aan wat voor een soort ellendige behandeling ze er onderworpen werden. Daar ging het zeker niet om de uitoefening van een werk van barmhartigheid.

Opmerkelijke verandering kwam er echter in het algemeen beeld op het Schokkebroersvestje in 1681 , want toen werd, twee honderdjaar na de bouw van een eerste kapel, een nieuwe, mooie eenbeukige kapel opgetrokken in barokstijl die thans nog bestaat. Kroniekschrijvers noemden de kapel van meet af aan een van de mooiste van de stad. Ze bezit een zeer schoon en typisch interieur. Er bevond zich in de kapel van de Alexianen een, naar de beschrijving die ervan gegeven werd, prachtig 18de eeuws altaar, dat het werk was van de Antwerpse beeldhouwer Pieter van Baurscheit maar dat tijdens het Frans bewind werd vernield. Op het dak van de kapel stond een zeer sierlijk torentje, pronkstukje van 18de eeuwse bouwkunst. Het brandde in 1873 samen met een deel van het dak af maar werd later door Aug. Van Assche in zijn oorspronkelijke staat hersteld en gereconstrueerd. Aan de Oostzijde van de kapel bevond zich een monumentale barokke ingangspoort die uitgaf op het Schokkebroersvestje en later verdween. Deze poort werd overgebracht naar de binnenkoer van het Sint-Lucasinstituut. Tijdens het laatste kwart van de 17de eeuw werd de helling van het Schokkebroersvestje aan zijn beide uiteinden, de Poel aan de ene en het Watergraafstraatje aan de andere kant, voorzien van trappen. Op zichzelf was dat natuurlijk een verbetering maar voor sommige bewoners van het Vestje rezen daardoor problemen. Door het aanbrengen van trappen konden die immers de stallen, die boven op het Vestje gelegen waren, niet meer bereiken met hun dieren.

Er waren dus op het Schokkebroersvestje ook stallen en zij die er met dieren in en uit moesten, zaten nu in de penarie. Zoals het gewoonlijk gaat, men kan niet voor iedereen goed doen. De voornoemde landlieden van Zomergem waren niet de enigen die op het Vestje toevlucht waren komen zoeken want naar blijkt was het jaar voordien ook een zekere Rutsaert van Hansbeke met zijn ouders, zijn broeder en met enkele dieren, uit schrik voor de plunderende Franse soldaten, naar hier gekomen en had ook hij zijn intrek genomen in een achterhuis op de Poel.

Maar hoe zag het er nu eigenlijk uit op het Schokkebroersvestje einde van de 17de eeuw, na de bouw van de nieuwe kapel, en begin van de 18de eeuw? Onder het grafisch materiaal dat zich in verband met het Schokkebroersvestje op het Gents Stadsarchief bevindt, hoofdzakelijk in de Atlas Goetghebuer, komt er een aquarel voor die de gevelopstand toont van het klooster met daarop de tekst : "Portael en overgank van het Clooster der Alexianen geseyt cellebroeders, gebauwd in 't jaer 1723" . Deze deeltekening van de gevel van het klooster is interessant omwille van de vermelding van de datum 1723 en ook omdat ze een beeld geeft van het portaal van het klooster (niet dat van de kapel) en van de aanloop van de overgang. Een goede kijk op het geheel (klooster en kapel) biedt de prent van A. Van den Eynde die de staat van de gebouwen in 1723 weergeeft en gemaakt werd in 1848 . Men onderscheidt daarop zeer goed het hierboven vermeld portaal van het klooster, de monumentale barokke ingangspoort van de kapel en het torentje op het dak. Ze laat ook duidelijk de gehele overgang zien die het Schokkebroersvestje overspande dat rechts naar de Poel liep en links naar het Watergraafstraatje. Op de afbeelding van Van den Eynde kan men ook heel even een deel van de zijkant ontwaren van de barokken geveltop van de kapel die later zou verdwijnen. Nog beter ziet men een deel van de barokke geveltop van de kapel en van het torentje op een aquarel die het Schokkebroersvestje toont wanneer men kwam van de kant van het Watergraafstraatje . Dat Watergraafstraatje had zelf en heeft nog altijd een uitgang in de Sint-Miebielsstraat en in het Ingelandgat.

 

Op het Schokkebroersvestje bevonden zich dus, benevens het klooster, de kapel en de overgang over het straatje naar een bijhorend hoog gebouw aan de overzijde, ook woningen met een trapgevel, naast oude, kleine huisjes en stallen. Sommige woningen, gelegen in de Sint-Michielsstraat, kwamen met een poortje uit op het Schokkebroersvestje. Er was op het Vestje ook een "camere" voor de vergaderingen van buren van het lngelandgat. Aan de rand van de Poel, waar in de loop van de geschiedenis zoveel groten en machthebbers in het majestueuze Hof van Wakken (het latere Hotel de Nockere) hadden verbleven, leidde het Schokkebroersvestje zijn eenvoudig, dagelijks bestaan. Soms schrok het echter wel als vreemden er met geweld binnendrongen. Tegen het einde van de 18de eeuw stonden er het Schokkebroersvestje en zijn bewoners weer bewogen dagen te wachten. Het Frans bewind zou immers ook voor de Cellebroeders of Schokkebroeders nefaste gevolgen hebben. Reeds in 1794 waren er moeilijkheden toen de Fransen vanwege de Broeders een zware belasting kwamen eisen waaraan nochtans werd voldaan. Het daarop volgend jaar moesten ze opnieuw betalen maar deze maal konden ze het niet aan. In de loop van de maand december 1797 maanden de commissarissen van de Republiek er de Broeders toe aan om binnen de twintig dagen het klooster te ontruimen. Voorlopig bleef dat nog zonder gevolg. Op 30 oktober 1798 echter werden de Broeders ertoe gedwongen hun klooster op staande voet te verlaten en op 2 januari 1799 werden de goederen, die zich in het klooster en in de kapel bevonden, verkocht. Tijdens dezelfde periode werd in de kapel het grootaltaar, een kunstwerk van P. Van Baurscheit, neergehaald en vernield. In Antwerpen waren de Broeders er al niet veel beter aan toe. Op 17 januari 1797 verjoeg Dargonne met zijn manschappen hen uit hun klooster. "Zij werden als honden behandeld" vertelt een getuige "en vier Broeders werden zelfs gekerkerd". Het klooster, de kerk en het kerkhof werden op 4 maart 1799 verkocht. Inmiddels hadden de Fransen in Gent van de kloostergebouwen op het Schokkebroersvestje een gevangenis gemaakt waar priesters werden opgesloten die ervan beschuldigd werden dat ze de wetten van de Republiek niet hadden in acht genomen en geweigerd hadden de eed van getrouwheid aan de Republiek af te leggen. Het moet daar op het Schokkebroersvestje wel weer een beroerde tijd geweest zijn en het was ongetwijfeld een ingrijpende verandering toen de Schokkebroeders of Cellebroeders, die er al sinds het begin van de 14de eeuw verbleven, einde van de 18de eeuw onder dwang uit hun klooster gezet werden. Er was in die jaren veel verbittering onder de bevolking want sinds generaal Pichegru in juli 1794 in Gent was aangekomen, hadden een aantal harde maatregelen elkaar opgevolgd : zware belastingen, onderdrukking, opeisingen. Er waren ook veroordelingen en terechtstellingen geweest. De militaire conscriptie van juli 1798, uitgevaardigd door het Directoire, leidde tot hevig verzet en tot de Boerenkrijg van 1798-1799. De Republiek ging zo grondig tewerk dat zelfs de namen van een aantal straten er moesten aan geloven en gewijzigd werden. Zo werd het Schokkebroersvestje voortaan "rue de l'Humanité" ... ; de Sint-Miebielsstraat werd "rue du Temple" en dat hield verband met het feit dat de Fransen de Sint-Michielskerk, die ze in februari 1798 hadden gesloten en waarvan ze het interieur voor een deel hadden afgebroken, de naam van "Tempel der Wet" of "Decadairen Tempel" hadden gegeven. De Sint-Miebielsbrug kreeg de naam van "Pont du Temple"; het Ingelandgat noemden ze "rue de la Démocratie" en de Predikherenlei "Quai de Ciceron". De Jonkvrouw Mattestraat werd "rue des GardesCouches" ... In 1802 werd de Sint-Michielskerk, bij Besluit van Faipoult, Prefect van het Departement van de Schelde, teruggegeven aan de eredienst. In het begin van de 19de eeuw werd het klooster van de Cellebroeders of Alexianen verenigd met de goederen van de Burgerlijke Godshuizen van de Stad en werd het eigendom van deze laatste. Na zovele eeuwen was het lot van de Cellebroeders, Schokkebroeders of Alexianen in Gent definitief bezegeld. Nog overleefde het Schokkebroersvestje zelf al deze tribulaties en perikelen. Maar weer kreeg het een aantal nieuwe bewoners want tot in 1828 deden de vroegere kloostergebouwen van de Cellebroeders nu dienst als gevangenis en opsluitingshuis voor onvermogende schuldenaars. Later werden deze laatsten overgebracht naar het Rasphuis. De mannelijke geesteszieken, die tot dan toe in het Geraard de Duivelsteen waren opgesloten, werden nu ondergebracht in de gebouwen van het oud klooster der Alexianen waar ze werden verzorgd door de Broeders van Liefde. Na voltooiïng van het Guislaingesticht in 1857, verlieten de geesteszieken op hun beurt de gebouwen van het oud klooster op de Veste en werden ze in genoemd gesticht opgenomen. Mogen we er hier terloops op wijzen dat er heden nog altijd verkeerdelijk gesproken en geschreven wordt over SintGuislain en over het Sint-Guislaininstituut Dokter Jozef Guislain was een verstandig en op wetenschappelijk gebied erg verdienstelijk man maar hij is, bij zoverre we weten, toch zeker niet heilig verklaard ... De gebouwen op het Schokkebroersvestje die nu verlaten stonden, geraakten meer en meer in verval en er wordt melding van gemaakt dat op een bepaald ogenblik de Stad het inzicht had om ze te verkopen. En dat zou ook gebeuren. Op 28 november 1862 werden de gebouwen, die sinds vijf jaar leegstonden, verkocht aan Gisleen Alfred Piers de Raveschoot, die ze verhuurde aan de Broeders der Christelijke Scholen. De gebouwen werden opgeknapt en in 1863 startte er het Sint-Amandusinstituut. In 1894 tenslotte verkocht Piers de Raveschoot grond en gebouwen aan de Provinciaal der Christelijke Scholen. In 1896 werd er een verbouwing doorgevoerd aan de kapel. Die kreeg er dat jaar een vijfde travee bij. Toen verdween de mooie barokke geveltop waarover we het hadden bij de bespreking van Fig. 4. Einde van de 19de eeuw, begin van de 20ste eeuw, werden er in de omgeving van de Poel belangrijke werken uitgevoerd. Inderdaad, in 1899 werd de Houtlei gedempt en het Sint-Amandusinstituut richtte op een vrij groot deel van de aldus aangewonnen grond en op de vroegere kaaimuren nieuwe gebouwen op. In 1903 werd de Torenbrug, die door de demping van de Houtlei zonder nut geworden was, gesloopt. De Poel en de Sint-Michielsstraat werden verbreed. 212 Het Sint-Amandusinstituut, dat zich steeds verder uitbreidde, kocht in 1904 het Schokkebroersvestje evenals enkele huizen in de Watergraafstraat en bouwde op het Vestje lokalen tegen de oostgevel van de kapel. De ingang tot de kapel die zich daar bevond werd afgeschaft en toegemetseld. Op het Gents Stadsarchiefvonden we twee foto's die een beeld geven van het Schokkebroersvestje in de eerste jaren van deze eeuw. De ene toont de toegang tot het Vestje langs de kant van de Poel met daarop enkele kleine gasten die gewillig poseren voor de fotograaf. Ook zien we daarop nog duidelijk de trappen waarover we het eerder hadden. De tweede foto , die dateert uit 1903, toont eveneens de toegang tot het Schokkebroersvestje aan de Poel met verderop in het straatje enkele bewoners. Links vooraan op de foto het smal maar sierlijk geveltje met mansardedak van het "Estaminet du Sport Ch. Willems De Coninck", "Cafe", waar "Vins et Liqueures" geschonken werden en waar men ook kon eten want er was "Bifteck A Toute Heure" te krijgen. Toen de hoek van de Sint-Miechielsstraat en van de Poel afgerond werd en deze laatste plaats verbreed, was het ook met het "Estaminet", dat de tijd had getrotseerd, amen en uit. Daar, waar voorheen de ingang tot het Schokkebroersvestje lag, werd in 1904/1905 gebouwd. Op die plaats kwam de grote woning, die er nog steeds staat, het huidig nr. 9 aan de Poel; daarnaast weer een Café, dat later verschillende verbouwingen onderging, thans het nr. 33 aan de Sint-Michielsstraat, nog steeds een Café. Toch hield het Schokkebroersvestje niet helemaal op te bestaan want aan de kant van het Watergraafstraatje bleef het nog toegankelijk en leidde een zachte helling naar de hoogte. Nog onlangs sprak ik met een man uit de buurt die mij vertelde dat hij in het begin van de jaren dertig als kind in dat overblijvend deel van het pittoresk Schokkebroersvestje ging spelen; dat hij er goede herinneringen aan bewaarde en dat hij het echt jammer vond dat het sfeervol middeleeuws steegje verdwenen was. Toen het Sint-Amandusinstituut nog verder in de dertiger jaren ook aan de kant van het Watergraafstraatje nieuwe bouwwerken uitvoerde en het resterend gedeelte van het Schokkebroersvestje innam, was het met dat laatste voor goed gedaan. Het Schokkebroersvestje was toen definitief en volledig uit het Gents stadsbeeld verdwenen maar niet uit de geschiedenis en evenmin uit de verste herinneringen. Begin van de jaren vijftig heb ik bejaarde mensen uit de omgeving van de Poel ontmoet die in hun jeugdjaren het Schokkebroersvestje op het einde van de vorige eeuw hadden gekend en er met veel genoegen nog eens over praatten. Vanuit de aanpalende woningen ziet men heden tegen de achterkant en de zijkant van de oude kapel van het Sint-Amandusinstituut nog altijd sporen van vroeger. Van het middeleeuws Schokkebroersvestje rest, behalve de oudekapel, niets meer. Maar voor wie van Gent en zijn verleden houdt, blijft die vergeelde bladzijde uit het groot geschiedenisboek van onze stad nog altijd even mooi en lezenswaard, ook al bevat ze soms bewogen en beroerde momenten maar dat is nu eenmaal de gang der geschiedenis.

 

Het oude Alexianenklooster schonk Gent deze ruwe parel. De monumentale Sint-Amanduskapel zit verscholen achter de gevels van de Oude Houtlei en de Sint-Michielsstraat (aan de Poel in de Kuip van Gent). De ligging is dus minstens exclusief te noemen. De indeling biedt vele mogelijkheden: Een ingang in de Sint-Niklaasstraat leidt u naar het binnenplein. U wandelt er de poort van de kapel binnen. Langs fijn beeldhouwwerk neemt u de trap naar de mezzanine op het eerste verdiep. Via zijdeuren heeft u toegang tot (eventueel bij te kopen) ruimtes waar publieke faciliteiten of kantoren kunnen ingericht worden. De kapel bestaat uit één grote ruimte vol bewaarde authentieke elementen en dierbaar materiaal. Via zijdeuren neemt u de nooduitgang of krijgt u toegang tot een voormalige sacristie. Deze kan een handige bergruimte of professionele keuken worden. Als kers op de taart is er in beton een structuur voorzien om een zonneterras te creëren. Het terras is toegankelijk via de kapel én het binnenplein. Eronder is er ruimte voor stockage of fietsenberging. | U heeft een voorkeur voor prestigieus vastgoed, of ziet kansen in het versterkende toerisme in Gent? Dan is dit uw kans een uniek kantoor, winkel of horeca-uitbating te starten.