Gedurende de bezetting verdeelden de Duitsers België in drie zones.

Het Operationsgebiet was het kleinste, en was de frontzone waar de krijgswet van toepassing was.

Het Etappengebiet, de rust- en bevoorradingszone achter het front, was in omvang het middelgrootste en was de militaire zone van depots en verbindingen. Het omvatte Oost- en West-Vlaanderen en de zuidelijke delen van Henegouwen en Luxemburg en stond onder militair gezag.

De rest van het land, behalve Antwerpen dat werd geleid door een militair gouverneur, vormde het Generaalgouvernement of het Okkupationsgebiet. De grenzen ervan veranderden ten gevolge van veranderingen in het Etappengebiet, doch de structuur kende geen wijzigingen.

Er werd de vergelijking gemaakt dat het Generaalgouvernement het paradijs was, het Etappengebiet het vagevuur en het Operationsgebiet de hel.

 

Het Etappengebiet

In tegenstelling tot het Generaalgouvernement, dat minder direct van het frontgebeuren in het Operationsgebiet afhankelijk was en tot taak had rust en orde in het bezette land te handhaven of te regelen, was het bestuur in het Etappengebiet wel meer onderhevig aan het strijdgebeuren en dienden verordeningen en regelgevingen in dat licht directer te kunnen worden uitgevaardigd en toegepast.
Etappengebiet is de algemene naam voor het achterwaarts gebied van een leger en speelt een essentiële rol: het staat in voor de verbindingslijnen van het leger met het thuisland, de bevoorrading (voeding, munitie, kledij, brandstoffen, materialen, paarden enz.) en alle verdere steun zoals afvoer & verzorging van gekwetsten, krijgsgevangenen enz. Dit is logistieke steun in de brede betekenis en men moet hierbij bedenken dat het niet enkel gaat om transport, stockage en verdeling van voorraden die vanuit de thuisbasis worden geleverd, maar om het actieve foerageren, d.i. de nodige voorraden ter plaatse opsporen, verwerven & produceren hetzij door aankoop, hetzij door opeisingen en inbeslagnames.
Elk Duits leger had dus achter zijn front een rust- en bevoorradingsgebied dat met de legerleiding diende samen te werken als logistieke ondersteuning. Het was in deze zone dat de nodige arbeidskrachten en materialen werden opgeëist en de fronttroepen met tussenpozen konden uitrusten.
Tijdens de oorlog zouden er in Gent constant 10 000 Duitse soldaten gelegerd zijn, maar afhankelijk van de oorlogsgebeurtenissen steeg of daalde dat aantal.

 

 

 

De Etappen-Inspektion 4 vestigde zich op 21 oktober 1914 te Gent in het justitiepaleis. De officieren namen hun intrek in het Posthotel op de Kouter, dat toentertijd het modernste en voornaamste hotel was te Gent. Het werd zwaar bewaakt met langs beide kanten van de ingang een schildwachthuisje.
Het Postkeuringsbureel had eerst een plek in het justitiepaleis en het postbureel op de Kouter. Beide diensten verhuisden naar het hoofd postgebouw aan de Korenmarkt te Gent.
De Etappen-Inspektion dirigeerde het leven van de burgerbevolking.
De Etappen-Inspektor was de hoogste officier in rang van de gehele Etappe. Hij was gelijkwaardig aan een divisiecommandant en had dezelfde bevoegdheden als een generaal. Of zoals Wandt schreef: “Te Gent was hij om zoo te zeggen de Almacht, waarvoor alles eerbiedig knielde; ook de Kommandant, die intusschen op zich zelf ook reeds een Almacht was, viel voor den Etappen-Inspekteur in het stof."

1.  Passbüro

Het Passbüro werd geleid door de zogenaamde Passofficier die de rang van luitenant had. Dit buro regelde de eenzelvigheidsbewijzen
Teneinde een betere controle over de bevolking te krijgen, werd door de Duitse bezetter een eenzelvigheidsbewijs ingevoerd dat door het Passbüro via de gemeentebesturen aan de burger werd bezorgd. Alle mannen van 18 tot 45 jaar werden in juni 1915 verzocht om die op de plaatselijke bevolkingsdienst af te halen, en werden verplicht die kaart te allen tijde bij zich te hebben. Op de kaart stonden naast de foto, wat in die tijd voor vele mensen een nieuwigheid was, de naam, voornaam, geboortedatum en het adres van de persoon in kwestie.
Daar het maken van een foto een dure aangelegenheid was, verkregen zij die behoeftig waren van het gemeentebestuur een bon voor een gratis foto. Bepaalde gemeenten voorzagen in een  collectieve fotoshoot, waarbij “portretten voor passe-ports getrokken werden”

Binnen het gehele Etappengebiet had men een reispas nodig voor verplaatsingen met een rijtuig of paard buiten de eigen gemeente. De hondenkar en stootwagen vielen niet onder die noemer.
Elke persoon die in Gent aankwam, diende zich binnen de twaalf uren bij het Meldeamt van de Etappen-Kommandantur aan te melden en zijn eenzelvigheidsbewijs voor te leggen.
Elke overtreding of poging om de aangifteplicht te ontwijken, kon worden bestraft met een jaar gevangenisstraf, een geldboete tot 4000 mark of zelfs deportatie naar Duitsland. Naast deze straffen kon het paspoort gedurende minstens een maand ingehouden worden. De straffen werden bovendien verhoogd als de betrokkene niet in het bezit was van een eenzelvigheidsbewijs.
Uiteindelijk werd ook het fietsverkeer volledig aan banden gelegd en zelfs verboden buiten de eigen gemeente na acht uur ’s avonds. Met de verordening “betreffende het in beslag nemen en stapel opnemen der rijwielen en de beperking van het rijwielverkeer” werden alle fietsen en fietsonderdelen in beslag genomen. Het gebruik van de fiets was vanaf 20 september 1916 alleen voorbehouden aan personen die van de Duitse overheid daarvoor de toelating hadden verkregen. Er werd alleen toestemming verleend aan personen die bij gebrek van andere doelmatige  verkeersmiddelen het rijwiel nodig hadden.
Dat waren bijvoorbeeld bedienden en werklieden om zich van en naar de werkplaats te begeven, of om zich naar school te begeven indien de afstand meer dan drie kilometer bedroeg.

Elke persoon die onder toezicht stond kreeg een Meldekarte en diende zich ten minste één keer per maand, op een welbepaalde dag persoonlijk en in het bezit van zijn eenzelvigheidskaart aan te melden. De melding werd genoteerd op de Meldekarte.
De sancties voor degene die de verplichtingen niet nakwamen waren niet mals. Er was een boete voorzien van 1000 mark of zes weken gevangenis. De zwaarste overtreders werden naar een gevangenkamp in Duitland gestuurd. Het verlies van een Meldekarte diende dadelijk aan het Meldeamt bekend te worden gemaakt. Dit gebeurde kostenloos als de aanvrager kon aantonen dat hij geen schuld had aan het verlies, maar indien dat niet mogelijk was, kostte een nieuwe kaart vijf mark, en daarna telkens tien mark. Bovendien konden ook de voormelde straffen worden opgelegd.
In februari 1917 werd een bijkomende vorm van controle ingevoerd. Etappeninspecteur von Schickfuss verordende toen dat aan de voordeur van elke woning een lijst diende te worden opgehangen met alle namen van de gezinsleden. De juistheid ervan diende door de Belgische politie moest de juistheid er van bevestigen met een handtekening en stempel.
Indien de huiseigenaar dergelijke lijst niet opmaakte, diende het gemeentebestuur daarvoor te zorgen. Uiteindelijk waren voor de juistheid van de lijst de plaatselijke politie, de portier en alle bewoners van het huis responsabel. Wie zich niet aan de opgelegde regel hield, liep opnieuw risico voor een strafsanctie.

4. De Economische Afdeling of Wirtschaftsabteilung

De vermelding van deze afdeling duikt reeds vroeg in 1915 op. De Wirtschaftsabteilung was ingesteld om opeisingen van allerhande materialen in goede banen te leiden. Het kan als één van de  belangrijkste genoemd worden in het ganse Duitse administratieve apparaat.
In elke Kommandantur bestond deze afdeling die afhing van de Gentse Wirtschaftsausschuss (Economisch Comité), die op zijn beurt behoorde tot de staf van de Etappen-Inspektion. Het Comité bevond zich aan de Kouter en stond onder de verantwoordelijkheid van Hauptmann Dietrich.
Het opeisen van goederen gebeurde heel systematisch.
De eerste stap was een nauwkeurige registratie van de voorhanden zijnde producten, waardoor de bezetter zich een goed beeld kon vormen van wat opeisbaar was.
De bevolking kreeg in ruil “Beitreibungs-Anerkenntnisse” ook wel requisitiebons genoemd, waardoor ze later aanspraak konden maken op geldelijke compensatie. Deze bons zouden na de oorlog, ongeacht de uitkomst ervan, door de Duitse staat betaald worden. Het grondbeginsel was dat de Duitse staat bij elke opeising als koper optrad en de lokale overheden als tussenhandelaars dienden te worden beschouwd.
Het hoeft niet gezegd dat er van dergelijke tegemoetkoming vaak niets in huis kwam.
In de loop van 1917 kreeg de bevolking te maken met personen die zich, gekleed in een Duits  soldatentenue, toegang verschaften tot woningen om daar goederen, vooral geld, te ontvreemden of de bewoners af te persen. Kommandant Ziegler waarschuwde de bevolking enkel soldaten die de nodige bewijzen konden voorleggen binnen te laten. Deze bewijzen dienden voorzien te zijn van de stempel van de Kommandantur en de handtekening van een officier, niet van zijn plaatsvervanger, noch door een lagere graad.

6. Polizei- und Strafabteilung

De Belgische politie werd na het binnenvallen van de Duitsers volledig ontwapend. Het enige dat ze nog bij zich mochten dragen was een gummiknuppel. Het gevolg daarvan was dat de kleinere overtredingen niet meer werden vervolgd noch bestraft. Later werd hen hun sabel teruggegeven en uiteindelijk werden ze aan het gemeentelijk gezag onttrokken en onder toezicht van een nieuwe gevormd Duitse militaire politie geplaatst. 
Om de orde te handhaven bleven de lokale politiediensten behouden en werd de Militärpolizei, die uit twee organen bestond met name de Feldgendarmerie en de Geheime Polizei , geïnstalleerd. Te Gent kwam er een Zentrale der Geheimen Feldpolizei des A.O.K. IV, onder leiding van inspecteur Dirr. De Geheime Feldpolizei was niets meer dan de Duitse militaire politie die het leger tijdens de veldtocht vergezelde en de ‘veiligheid’ van de slagvelden verzekerde. Verder controleerde ze de toegangswegen en spoorlijnen, en maakte eveneens jacht op spionnen

Woeker was volledig uit den boze. Het was Etappenkommandant von dem Knesebeck ter ore gekomen dat “talryke landbouwers en graanhandelaars, ook zulke lieden, die zich maar in het voorbygaan met graanhandel bezighouden, gerst van den oogst van 1914 in belangryke hoeveelheeden verborgen houden om den prys op eene woekerachtige manier te doen stijgen”. Hij maande de gemeentebesturen aan om dergelijke praktijken aan te geven.
Op de Gentse markten heerste er “geharrewar, tegenstand van wege de koopers.  De boeren vertrokken met hun korven. Een korf vol eieren werd omgeschopt en alles onder de voeten aan stuk gestampt”. 
Bepaalde handelaars werden veroordeeld tot een geldboete of gevangenisstraf. Handelaar S. werd door von dem Knesebeck veroordeeld tot een boete van 300 mark of dertig dagen gevang, omdat hij boter tegen een hogere prijs verkocht. In de toekomst zou de Kommandant elke inbreuk tegen de maximumprijszetting bestraffen “zonder iets of iemand in te zien”. Deze mededeling diende in elke gemeente te worden aangeplakt en gold als laatste waarschuwing.
Dat schrok niet veel mensen af, getuige daarvan Torie Mulders die schreef: “Het verhandelen van levensmiddelen buiten het toezicht van hoogerhand, en aan prijzen buiten en boven de vastgestelde steeg in opgaande lijn met den nood van de bevolking; het blauwen werd eenen stiel en sommige durvers hebben er fortuin mee gemaakt. Ik heb het hun nooit benijd”

De Etappen-Inspektion had op 8 augustus 1915 een eerste verordening “betreffende de bepaling der maximaprijzen” opgesteld. Deze bevatte de prijzen van vijftien producten.
Elke overtreding ervan kon met een geldboete tot 1000 mark worden bestraft of een “daarmede overeenstemmende gevangenisstraf”, naderhand werd de verbeurdverklaring van de winkelwaar ingevoerd.
Als er verzachtende omstandigheden waren, kon de boete tot 50 mark gereduceerd worden. De verkoper die nog maar een hogere prijs vroeg, maakte zich reeds schuldig aan deze verordening.
De Polizeiabteilung was ook belast met het vaststellen van mogelijke geleden schade door de Duitse bezetter. Bij het uitbreken van de oorlog vluchtten vele Belgen naar het buitenland. Bijgevolg stonden hun woningen leeg, en werden ze al gauw opgeëist door de Duitse legerleiding. Al te vaak werden er goederen, vooral al hetgeen dat niet te zwaar was, meegenomen als ‘souvenir’.
Door haar grote takenpakket kon de politie niet ten volle instaan voor de ordehandhaving.
Onder supervisie van de Duitsers werd opnieuw een vorm van burgerwacht ingesteld.

Om de organisatie van het Etappengebiet te Gent goed vorm te geven werden  een zestal instellingen door de Duitse leiding opgericht. Het betrof het Passbüro (paspoortenuitgifte), het Meldeamt (registratiekantoor), het Arbeitsamt (tewerkstelling), de Polizei-abteilung (Politiewezen), de Landwirtschaftlicher Betriebstelle (landbouwafdeling) en de Wirtschaftstelle (Economische afdeling).

Hierna zal bij elk van deze instellingen worden ingegaan op hun bevoegdheden, wie er de eindverantwoordelijkheid droeg, en de wijze waarop deze instellingen het leven van de Belgische bevolking beïnvloedde.

Het Passburo verleende ook het Reiseschein, ook wel het paspoort genoemd. De aanvraag ervan geschiedde via de gemeentebesturen. De procedure was eenvoudig. “Iedereen die een paspoort verlangt, moet een eenzelvigheidbewijs voorleggen, afgeleverd door de plaatselijke overheden met photographie, waarop richting, tijd en doel van de geplande reis juist aangegeven worden

Reeds eind november 1914 werd het vrij personenverkeer aan banden gelegd door een verordening van von Württemberg. De grens met Nederland kon slechts via bepaalde wegen worden overschreden.
In 1914 verschenen er her en der prikkeldraadversperringen, teneinde de vlucht van Belgen naar Nederland te bemoeilijken. Andere oversteekmogelijkheden waren verboden. Wie naar Nederland reisde had een Reiseschein nodig, dat aan de grenscontrole werd onderzocht en afgestempeld.
In de lente van 1915 werd ‘den draad’ gespannen over de totale lengte van de Belgische grens met Nederland. Het huzarenstukje van om en bij de 300 kilometer werd beëindigd in de eerste weken van 1916. De omheining was tussen 1,35 meter en 1,60 meter hoog en werd later tot 2,5 meter verhoogd. De draden werden onder elektrische spanning gezet, aanvankelijk 500 volt, maar dat liep snel op naar 2000 en zelfs 4000 volt, met als hoogtepunt 8000 volt op het einde van de oorlog. Op regelmatige afstand langs de versperring waren wachtposten, bemand door soldaten van de Landsturmcompagnies, die ook het patrouilleren voor hun rekening namen. Veel mensen vonden tijdens hun vluchtpoging richting Nederland dan ook de dood

2. Meldeamt


De primaire bevoegdheid van het Meldeamt was toezicht uitoefenen op zeven categorieën mensen die er zich op regelmatige basis dienden aan te bieden. Het ging hierbij om alle mannelijke Belgen geboren in de jaren 1880 tot en met 1898, de leden van de burgerwacht, de Belgische militairen, de ontslagen Belgische burgerlijke en krijgsgevangenen, alle mannen en vrouwen ouder dan vijftien jaar die de nationaliteit droegen van een land dat in oorlog was met Duitsland. Hiertoe behoorden verder ook nog de werkplichtige Duitsers die geen soldaat waren en ten slotte de personen die onder verscherpt toezicht werden geplaatst.
De lijsten die reeds in december 1914 werden opgemaakt, werden door de Meldeämter bewaard en elke verandering diende binnen de drie dagen te worden aangegeven.
De Duitsers voelden echter nattigheid met betrekking tot de Haagse Conventie en wezen er  uitdrukkelijk op dat er geen sprake was “noch van inlijven van Belgen of andere personen van  vreemde nationaliteit in het Duitsche leger, noch van hun vervoer naar een Duitsch gevangenkamp”. Het enige doel was zogezegd om het aantal personen en hun verblijfplaats in kaart te kunnen brengen. Later zou blijken dat deze lijsten, ondanks de Duitse belofte, toch handig werden aangewend om werkkrachtenlijsten op te zetten en daadwerkelijk op te eisen.

3. Arbeitsamt.


Het Arbeitsamt was nauw verbonden met het Passbüro en het Meldeamt. De Belgische onderzoekscommissie die na de oorlog werd aangesteld, omschreef de organisatie van de deportatie in het Etappengebiet als volgt: “een bijzondere instelling, het Arbeitsamt werd opgericht met aan het hoofd een Duitser die de regionale gebruiken kende”.
Het Arbeitsamt werd dus naar aanleiding van de opeising van werkkrachten opgericht en het zou tot op het einde van de vijandelijkheden in het Etappengebiet blijven functioneren. De
Etappen-Kommandantur Gent richtte na de verordening van 3 oktober 1916 sofort in het Beursgebouw een Arbeitsamt op onder leiding van luitenant Max Gruber.
Geen enkele Duitse maatregel in België genomen veroorzaakte grotere ophef dan het opeisen en deporteren van Belgische arbeiders om in Duitsland of achter het front tewerkgesteld te worden. Deze maatregel werd door velen als misdrijf, dat uit twee facetten bestond, bestempeld. Enerzijds werden burgers gedwongen meegenomen vanuit hun woonplaats en op vijandig grondgebied, ver van huis, tewerkgesteld. Anderzijds
werden ze gedwongen mee te werken bij ondernemingen gericht tegen hun land.
De beslissing viel in september 1916 en op 3 oktober werd het bevel van het Große Hauptquartier bekendgemaakt. De verordening trad eerst in werking in het Etappengebiet en kort daarop volgde de toepassing ervan in het
Generaalgouvernement, waar de 
opeisingen bleven duren tot in februari 1917. In het Etappengebiet daarentegen werden, zoals eerder gezegd, tot het einde der vijandelijkheden mannen verplicht tewerkgesteld. 
Ieder die werk weigerde kon bestraft worden met een jaar gevangenis of deportatie naar Duitsland.

5. De landbouwafdeling of Landwirtschaftliche Abteilung.

Deze instelling, die ook Landwirtschaftliche Betriebstelle werd genoemd, werd in het begin van 1915 opgericht om de landbouwproductie, zowel uit akkerbouw als uit veeteelt, ten nutte te maken van de Duitse bezetter. Het richtte zich ook tot de verwerkende bedrijven zoals suikerfabrieken, brouwerijen, melkerijen.
Te Gent was het gelegen aan de Korte Meer en de functieomschrijving luidde “Ausnützung des Landes in landwirtschaftlicher Beziehung, Steugerung (sic) der Leistungsfähigkeit des Landes, Versorgung des Heeres und der Bevölkerung mit landwirtschaftlichen Erzeugnissen”.
De aardappel was sinds de achttiende eeuw het belangrijkste voedingsmiddel in het toenmalige België en Europa. De doorbraak van deze knolvrucht zorgde ervoor dat in veel gebieden de hongersnood volledig verdween. De aardappel is niet alleen rijk aan voedingsstoffen, maar de knol kan ook relatief lang worden bewaard, en is bovendien sneller te consumeren dan graan, dat meestal eerst nog tot brood moet worden verwerkt.
Het spreekt voor zich dat tijdens de Eerste Wereldoorlog de Duitse legerleiding, maar ook het Hulpkomité, grote hoeveelheden aardappelen zou vragen.
Het hoeft niet te verwonderen dat de daarop volgende maanden en jaren het gebrek bij de bevolking gestaag groeide. Het gebrek ging van kwaad naar erger.

 

Sinds 4 januari 1915 konden de Belgische overheden geen regels meer uitvaardigen. De gemachtigden om politieverordeningen uit te vaardigen waren de Gouverneur-Generaal, en binnen hun bevoegdheid de provinciegouverneurs, de Festungsgouverneure, en de Etappenkommandanten. De reglementen werden aangekondigd in het Verordnungsblatt of door aanplakking, die door de plaatselijke politieoverheden met name de burgemeesters of de militaire Polizeimeisters, diende te gebeuren. Ze betroffen verschillende onderwerpen, omdat het welzijn der Belgen ook voor het bezettingsleger van belang was.
De bevoegdheden van de politieafdelingen waren velerlei. Ze traden op inzake onderwijs en hygiëne. Zo werden de scholen op bevel van de Polizei-abteilung met het oog op het besparen op brandstof in de wintertijd gesloten. Pas in de lente, als het warm genoeg was, werden de scholen weer opgestart.
Regelmatig dienden bevelen omtrent het werpen van vuilnis op de openbare weg opnieuw te worden “uitgebeld”.
Er werden door de politie verslagen opgemaakt omtrent ziekten, zowel bij mensen als bij dieren en eventuele discussies over prijzen werden ook aan de Polizeiabteilung overgelaten

 

Vervolgt in Kriegsalbum 2