Engelse Nonnen St Pietersnieuwstraat
PDF – 2.3 MB 55 downloads

Onderstaande tekst is gepubliceerd als artikel in ghendtsche tydinghen
 2007/5/273 geschreven door L. Devriese, A. Brysse Met dank aan Bert Vervaet (DSMG, Begijnhof, Sint-Amandsberg) en aan Peter Steurbaut (Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie)

Engelse nonnen aan de St pietersnieuwstraat.

Waar nu in de St Pietersnieuwstraat het universitair technisch laboratorium staat , was vroeger de vlasspinnerij Feyerick. Oorspronkelijk ( Staat reeds op kaart van 1536) stond hier een groot klooster van de

Lady Aloysa Hesketh werd opgenomen in het klooster  in 1736-1740, het is mij niet duidelijk wanneer ze gestorven is, maar voor 1794. De 12e abdis Lady Magdalen Arden stierf op 16 juni 1796.
De 10-15 jaar jongere zus van Aloysa, zijnde Frances Hesketh werd ingewijd in 1756 in Gent en werd de 13e abdis, in 1796. Ze stierf op 24 November 1809 in Preston, Engeland.

Engelse nonnen aan de St pietersnieuwstraat.

Na de ontbinding vanaf 1534 van de kloosterorden in Engeland onder Hendrik VIII en Elisabeth I, vluchtten een aantal communauteiten naar het vasteland. In ons land was Brussel de eerste vestigingsplaats (1598) van de Engelse benedictinessen. Dit werd in Gent in 1624 gevolgd door een eveneens Engelse stichting, genoemd ‘Abdij van de Onbevlekte Ontvangenis van de Moeder Gods’. Aldus kreeg Gent, naast de ‘autochtone’ benedictinessenabdij in het Rijke Gasthuis aan de Hoogstraat, er een ‘vreemd’ vrouwenklooster van de- zelfde orde bij. Hierbij moet wel vermeld worden dat alle benedictinessenab- dijen zelfstandig waren.

Ondanks het voorhanden zijn van een uitstekende beschrijving door Johan Decavele, weliswaar in een erg gespecialiseerde en weinig verspreide publi- catiereeks, bleef over dit ooit indrukwekkende klooster, op enkele anekdotes na, zo goed als niets gekend. In de lokale geschiedschrijving kwam het nau- welijks aan bod1. Ook het indrukwekkende kloostergebouw bleef onbekend, ondanks het voorhanden zijn van goede en betrouwbare afbeeldingen.

De Gentse stichting was het gevolg van een ernstig conflict over het al of niet aanvaarden van jezuïeten als biechtvaders en geestelijke leiders in het Brusselse klooster3. Vier leden van de Brusselse communauteit trokken er uit onder leiding van Lucy Elizabeth Knatchbull (geboren in 1589, op Saltwood Castle, Kent). Deze stichteres en eerste abdis, vond steun bij haar broer, de jezuïet John Norton (alias Knatchbull). Zijn kennis van het Spaans en uitge- breid netwerk van invloedrijke personen in Vlaanderen waren hierbij van groot nut. Na overleg met vrienden in Engeland, nam hij contact op met de aartsbisschop van Mechelen. Deze regelde de nodige vergunningen uitgaande van de Spaanse koning, de bisschop van Gent en de Sint-Pietersabdij.

De religieuzen vertrokken, volgens de kloosterannalen, uit Brussel nagenoeg zonder enige bagage, buiten wat persoonlijke kledij en beddengoed. In een ge- huurde woning in de Savaanstraat, waar ze op een zaterdag aankwamen, werd een kleine kapel ingericht waarin de volgende dag reeds een eerste mis opge- dragen werd. Op 21 maart 1624 werd de plechtige inwijding door Antonius Triest, bisschop van Gent voltrokken. In april kwamen een paar postulanten (aspirant - kloosterzusters) uit Engeland hun intrek te nemen in het nog erg kleine kloostertje. Ook de eerste kapelaan, William Vincent, stak in die tijd uit Engeland naar Gent over. Bisschop Triest duidde George Chamberlayne, van Engelse herkomst en deken van de kathedraal, aan als visitator (opzichter) en geestelijk directeur.

De Engelse jezuïeten, gevestigd aan de Steendam (nu Sint-Jorisschool), ondersteunden de zustergemeenschap krachtig. Zij leverden de latere geestelijke directeurs en de biechtvaders. Met behulp van leden van deze orde, slaagde Lady Knatchbull er in voldoende nieuwe kandidaat - zusters aan te trekken uit Engeland. Daarbij waren de familiale netwerken erg belangrijk. Zo traden er niet minder dan vier nichtjes van de abdis in het Gentse klooster. Twee latere abdissen droegen eveneens de naam Knatchbull.

De tweede abdis Eugenie Poulton (abdis 1629 - 1641) verwierf verschillende huizen met achtergelegen diepe tuinen, samen 80 are, op de helling van de Blandijnberg, rechtover de huidige Josef Platteaustraat, aan de hoek met de verdwenen ‘s Wilders Stege, later Engelse Nonnensteeg genoemd. Het kloos ter met kostschool werd daar vanaf 1628 gebouwd onder toezicht van Loys van Hoobrouck, Gentse schepen. Deze gefortuneerde handelaar, lange tijd actief in Engeland, stond de gemeenschap daarvoor een zware lening toe. De volgende abdis Mary Roper (1642 - 1650) behoorde eveneens tot de stichten de adellijke families. Ze werd gekozen ondanks zware oppositie van de Gent- se bisschop Triest, weeral omwille van de positie van de jezuïeten als geeste lijke raadgevers. Het was een moeilijke tijd voor de ‘Engelse nonnen’, zoals ze toen in Gent bekend stonden. Mede door het wegvallen van directe steun uit Engeland, liepen de schulden hoog op. Al in 1646 volstonden de gewone en buitengewone inkomsten niet meer om verder normaal af te betalen. Na de Engelse burgeroorlog onder Oliver Cromwell (Karel I ter dood veroordeeld in 1649), brachten de eigendommen van het klooster op het eiland niets meer op en waren talrijke bezittingen van katholieke ondersteuners geconfisqueerd. Noodgedwongen werd het zilverwerk verkocht en legden de kloosterzusters, conversen (zogenaamde lekenzusters), novicen en de pensionaires zich toe op het maken van zijden bloemen voor de verkoop. Niemand werd nog toegela- ten (‘geprofest’), tenzij na betaling van een zware ‘bruidschat’ (4000 gulden). Ondanks het uitdrukkelijk verbod gestipuleerd bij de stichting, liet de bis- schop toe dat de Dominicaanse bedelorde voor de zusters geld ophaalde.

De vierde abdis Mary Knatchbull voerde niet minder dan 46 jaar het bewind (1650 – 1696). In de Engelse politieke strijd van die tijd zette ze sterk in op de partij van de Stuarts en ze onderhield nauwe betrekkingen met hofkringen. In 1650 leefde de hoop van de Gentse zustergemeenschap even op toen de toekomstige koning Karel II Stuart het Gentse klooster bezocht. Toen deze ruim tien jaar later tot koning gekroond werd, werd dat terdege gevierd aan de Sint- Pietersnieuwstraat, temeer daar het klooster bij die gelegenheid 400 goudstuk- ken ontving van de kroon. De Engelse Restauratie, zoals deze episode genoemd werd, bracht aldus enig financieel respijt, al bleef de situatie doorlopend erg moeilijk. In die periode geraakte het klooster sterk bevolkt en telde de gemeenschap een tachtigtal zielen, waaronder niet minder dan 42 koor- zusters, een aanzienlijk aantal dat de nodige kosten meebracht. Met Engelse hulp werden vanuit Gent eerst twee nieuwe kloosters gesticht, een in Duin kerke en een in Saint-Omer. Later zouden Boulogne en Ieper volgen. Dat ge- beurde met actieve steun van Gentenaars. Zo schonk de stad 100 pond Vlaams aan de 12 religieuzen die in 1651-1652 naar Boulogne trokken5.

Dank zij enkele meevallers slaagden de zusters er na een kwart eeuw (in 1661) in de schuld aan van Hoobrouck af te betalen. Wanneer het imposante bij dit artikel afgebeelde kloostergebouw opgetrokken werd, kon niet achterhaald worden, maar vermoedelijk gebeurde dat halverwege de 17de eeuw, toen de communauteit onder leiding van Mary Knatchbull sterk stond en zeer actief was. Het oudere klooster was nog zeer bescheiden. Op de bekende Hondius- kaart van Gent door Sanderus gepubliceerd in 1641 verschilt het in bouwvo- lume amper van de omringende huizen6. Maar daar kwam verandering in. Justo Billet, stads(bouw)politiemeester, schreef in 1662 dat de nonnen een magnificq clooster ende kerkxken lieten optrekken. Samen met het stadsge- zicht van Hondius geeft die notitie een nadere aanduiding voor het bouwjaar: ergens tussen 1641en 1662, meest waarschijnlijk tussen 1650 en 1662.

In de volgende eeuw kende het klooster een veel minder bewogen bestaan. Er verbleven doorlopend ongeveer 20 koorzusters. Ze waren, op zeldzame uit- zonderingen na, van over het Kanaal afkomstig. De abdijschool daarentegen was toegankelijk voor gegoede meisjes uit onze streken. De instelling kreeg een goede naam. De ongeveer 35 pensionaires kregen er onderricht in het Nederlands, Frans en Engels en onvermijdelijk ook in godsdienst, naaien en borduren. Toen keizer Jozef II aan het einde van de 18de eeuw de religieuze orden ophief, bleven de Engelse nonnen op Sint-Pieters buiten schot omwille van hun opvoedende rol8.

In 1793 waren er nog 26 religieuzen, 9 conversen en 35 pensionaires. In het vooruitzicht van een naderende inlijving van de Zuidelijke Nederlanden bij het revolutionaire Frankrijk, keerden de Gentse benedictinessen en de zusters van de andere vanuit Gent gestichte kloosters naar Engeland terug. Daar hee ste inmiddels godsdienstvrijheid. Enkel de Ieperse religieuzen bleven ter plaatse tot aan de vernietiging van hun klooster in W.O. I. In Preston (Lancashire), waar de Gentse zusters in de Franse Tijd terecht kwamen, stichtten ze een nieuwe succesvolle school. In 1853 tenslotte, werd Oulton Abbey in Oulton, Staffordshire, ingericht. Daar huist nog steeds een benedictinessenge- meenschap. In hun geschiedschrijving beschouwen ze zichzelf als een stichting vanuit Gent.

Enkele gegevens uit de stedelijke belastingarchieven geven ons enig idee van de waarde van de eigendom in de 18de eeuw. De huurwaarde van het klooster werd geschat op 200 pond groot Vlaams, een aanzienlijk bedrag, een van de grootste in Gent. Het naastgelegen huis van de biechtvader - geestelijke direc- teur was vrij bescheiden (huurwaarde 10 pond).

Het klooster, dat het Franse onweer zag afkomen, verkocht in 1794 de eigendom aan de Sint-Pietersnieuwstraat voor het grootste gedeelte aan Joseph Fryson, fabrikant en handelaar in loodwit, wonende aan de Vlasmarkt. Fryson verdeelde het complex in 13 woningen, waarin wellicht nog meer wooneenheden en ruimte voor zijn onderneming een plaats vonden. Verplancke en zijn associé Poelman, opvolgers van Fryson, deden poorten aanbrengen, onder andere in de kapelgevel aan de straatzijde. Dit zal allicht gebeurd zijn in functie van hun industriële en commerciële activiteiten.

Onvermijdelijk in Gent was tenslotte de omvorming van het complex, of althans het grootste deel ervan tot spinnerij. Dat gebeurde door de ondernemers Vervaecke, later Poelman & Vervaecke. De spinactiviteit werd voortgezet door een volgende eigenaar Feyerick. Deze verbouwde aan de Sint- Pietersnieuwstraatzijde het bestaande complex tot woningen in de typische strikt uniforme en sobere stijl van die tijd. De fabriek bleef bekend onder de naam Feyerick en ze functioneerde vermoedelijk doorlopend als vlasspinnerij. De onderneming telde in 1885 ongeveer 350 werknemers, die gemiddeld 72 uur per week aan de slag waren. Het was in deze specialiteit, die in Gent de enorm grote fabrieken La Lys, la Gantoise, Saint-Sauveur en La Liève telde, een van de kleinere spelers. De schepen met geroot en gezwingeld vlas konden rechtstreeks in de fabriek gelost worden van op de achter aanpalende Muinkschelde. De spinnerij was uitgegroeid tot een groot complex dat in de dertiger jaren van de vorige eeuw, toen de universiteit het verwierf, anderhalve hectare besloeg10.

De fabriek, die wellicht nog veel elementen van het 17de-eeuwse kloostergebouw bevatte, moest in 1934-1938 plaats ruimen voor de universitaire Technische Laboratoria, samen met een stookcentrale, gebouwd naar ontwerp van Jean - Norbert Cloquet. Gustave Magnel had hierbij een adviserende taak. Sinds 2009 wordt een gedeelte van het open voorterrein ingenomen door het nieuwe UFO (Universiteitsforum) gebouw, met het grootste auditorium van deze instelling, een concept van de architecten Stéphane Beel en Xavier De Geyter.