Patershol

'Het Patershol', een plek in het centrum van de stad, is niet groter dan dertien straatjes en een pleintje. Vijf eeuwen geschiedenis concentreren zich op een oppervlakte van nagenoeg 4,5 ha., en dat vanaf de 15de eeuw tot nu.
Historisch sleept de wijk een wisselende reputatie met zich mee, een heen en weer van vijf eeuwen tussen welstand en marginaliteit. 
In het begin van de 10de eeuw werd langs de linkeroever van de Leie, op ongeveer één kilometer van de samenvloeiing met de Schelde, een omwalde grafelijke versterking of castrum in de vorm van een eiland opgericht.
In dat grafelijk gebied, los van de "Oude Stede van Gent” werd in de 10de eeuw deze site versterkt en uitgebreid waardoor een "novum castellum" ontstond. Het eiland, waar de horigen van de graaf verbleven, kreeg de naam "vetus burgus" of Oudburg. Pas in de late 11de eeuw werd door de graaf een stenen zaalgebouw opgericht op de plaats van het “novum castellum". Dat werd op het einde van de 12de eeuw vergroot en onder graaf Filip van den Elzas omgebouwd tot een machtige burcht. In de schaduw van deze burcht -het Gravensteen- ontstond de wijk, in de lengte doorsneden door de in 1872 gedempte Plotersgracht.
De Oudburg, het deel tussen de Leie en de loop van de Plotersgracht, was oorspronkelijk bezit van de graven van Vlaanderen en werd in 1274 bij het Gentse schependom gevoegd. Zijn versterkte poorten werden binnenpoorten, zonder defensieve betekenis. Ze werden in de late middeleeuwen afgebroken, wat meteen de fusie met Gent betekende.
In 1363 werd daar het Kinderen Alyns hospitaal opgericht, nu een schitterend museum, het “Huis van Alijn”. Het noordwestelijk gedeelte, rechts van de Plotersgracht (naar “de Lange Steenstraat toe), behoorde tot het "Borchgravengerechte". Dit gebied werd sinds de tweede helft van de 11de eeuw door de kastelein van Gent in leen gehouden van de graaf van Vlaanderen en op het einde van de 13de eeuw verkocht aan de schepenen van Gent. 
Twee kloostergemeenschappen vestigen zich in de wijk. De Karmelieten met hun Caermersklooster en de Norbertijnen met de Drongenhofkapel. Midden de 14de eeuw werd in de Geldmunt ook nog de Sint-Eloyskapel en het aanpalende hospitaal opgericht (beide zijn nu verdwenen). Hiermee kreeg de wijk zijn definitieve begrenzing.

Ballenstraat, Corduwaniersstraat, Drongenhof, Geldmunt, Haringsteeg, Hertogstraat, Kaatsspelplein, Kalversteeg,   Karmelietenstraat, Kraanlei, Langesteenstraat, Vrouwebroersstraat, Zeugsteeg

Het Patershol, een Middeleeuwse wijk in Gent, maar vanwaar komt die vrij aparte naam?
In de Middeleeuwen was er in het Patershol een slotklooster dat aan uitbreiding dacht. Er was echter een probleem, het klooster kon maar in één richting bijbouwen en als men dat zou gaan doen, dan zou men een sloot moeten dempen die de wijk van water voorzag. Dit was onmogelijk. Hoe dan ook, de paters trokken toch naar de Graaf van Vlaanderen met hun plan. Tot ieders verbazing ging die akkoord, het klooster mocht uitbreiden op één voorwaarde, dat de mensen nog steeds hun water aan de sloot zouden kunnen halen.
De monniken vonden hiervoor een oplossing, in plaats van de sloot te dempen en een gebouw op te trekken zouden ze over de sloot heen bouwen en hem zo gewoon door het gebouw laten verder lopen. In een muur van het klooster plaatsten ze een poort waar de mensen hun water in het hol van de paters konden halen.
Al vlug werd dit hol door de bevolking "Het Patershol" genoemd, later kreeg ook de wijk waar dit hol was diezelfde bijnaam.

Toen in het begin van de 15de eeuw het Gravensteen zijn functie als grafelijke versterking had verloren, vestigden de Raad van Vlaanderen, een rechtscollege, en het College van de Oudburg zich in de vroegere middeleeuwse waterburcht. Vanaf dat moment gingen zich ook notabelen, magistraten, procureurs, advocaten en deurwaarders in de wijk aan de voet van de burcht vestigen. Door het verblijf van deze notabelen die imposante woningen lieten bouwen werd deze site in de 17de en 18de eeuw een soort "miljoenenkwartier" van het toenmalige Gent.

Na deze hoogconjuctuur volgde het verval bij het begin van de industriële revolutie.
Heel wat grote woningen uit de wijk werden inderhaast verbouwd tot woonkazernes en hun achterliggende panden, vroegere werkplaatsen of koetsenhuizen, kregen eveneens een woonfunctie. Ze werden in feite "beluiken". 

Het Patershol werd over zijn ganse lengte in twee gesneden door de loop van een gracht waardoor de Leie, of het begin van de Lieve, in verbinding werd gebracht met de Schipgracht. De overwelfde ingang van de gracht is nu nog duidelijk te zien vanuit de Sint-Widostraat.
Over de oorsprong van deze gracht lopen de meningen van de historieschrijvers uiteen. Sommige menen dat de gracht kunstmatig is aangelegd. Andere zijn van oordeel dat het een natuurlijke Leieloop is die in de loop van de eeuwen werd gekanaliseerd. De Plotersgracht verzekerde de bevoorrading van de langs de gracht gelegen kloosters.
Bij het deels openleggen van de gracht in 1994, aan de zijkant van de kapel van de Norbertijnen heeft men de ringen in de kaaimuren, waaraan de scheepjes werden vastgemaakt, teruggevonden. Gezien de doorsnede van de ringen (sommige hadden een doorsnede van25 mm.) mag men aannemen dat men met snelle stroming rekening hield. De gracht, die daar een breedte had van ongeveer vier meter, was tamelijk diep. Bij het uitgraven van het vulmateriaal tot een diepte van 4 meter onder het maaiveld, was de moederbodem nog niet bereikt.
De gracht heeft in de loop van zijn geschiedenis heel wat benamingen gekregen. We zetten ze even op een rij:
- 1324: "der gracht Bachten den Caermen"
- 1326: "Quaed grachtkin"
- 1487: "Zwarte leertouwersgracht"
- 1502: Witte leertouwersgracht"
- 1623: "Plottersgracht", ook soms "zeven brugsken"
- 1796: "Plottersgracht" of Tossé des Megissiers"
De naam van de gracht is dan ook een straatnaam geworden.
Reeds vroeg werd de wijk bewoond door lederbewerkers. Ploten is immers de eerste fase in het productieproces om leder te maken. De huiden werden in een rivier/gracht gespoeld om dan in gemetselde putten gedrenkt te worden in een mengsel van water en kalk. Het haar en het vet werd van de huid geschraapt. Zo kreeg men een “ploot”: een huid die geschikt is om te looien. De Ploters woonden dus bij voorkeur aan water omdat ze voor het zuiveren van de huid, véél water nodig hadden. In enkele woningen zijn resten van plotersputten teruggevonden. 

 

Patersholfeesten  1974