457 foto's                  

Inleiding

Ik probeer meer info en vooral foto’s te verzamelen over de beluiken in Gent. Ik probeer zo volledig als mogelijk te zijn en het oude verleden daar waar mogelijk te verbinden met de huidige bestaande situatie.

Er is heel veel te vinden over de beluiken, het ontstaan, de evolutie, de gepleegde onderzoeken naar veiligheid en hygiëne. Als het op digitale foto’s aankomt, wordt het wat moeilijker en ligt alles vooral heel verspreid.

Ik heb gekozen om de indeling te gebruiken van de Gentse wijken die in 1938 bestonden. Ik plaats er steeds het relevante kaartje bij.

Ik heb veel gebruik gemaakt van de boekjes van Roger Moreau, de site St Pietersdorp, een aantal artikelen uit Ghendtsche thydinghen en “Onderzoek naar de Gentse Beluiken” van Prof Balthazar uit 1978.

Gebruikte foto’s zijn getrokken door  Hubert Eeckhout gemaakt en uitgegeven in 1981

Ik geef eerst de kaartjes van de verschillende wijken.

 

Ontstaan van de beluiken

De bevolkingsexplosie op het einde van de 18e eeuw begon eerst  in het centrum van Gent. De eerste fabrieken werden namelijk ondergebracht in door de staat geconfisceerde gebouwen in de Kuip van Gent.

Om dichter bij hun werk in de fabriek te zijn, verhuisden vele gezinnen daarom van het platteland naar de stad. De steden waren hier echter niet op voorzien, wat heel wat problemen gaf op vlak van huisvesting, riolering en hygiëne.

De kleine burgerij speculeerde met woongelegenheden voor de nieuwe bevolkingsklasse, het proletariaat, in de zogenaamde beluiken. Daarnaast waren heel wat rijkere families door allerlei crisissen ten onder gegaan, waardoor hun vroegere eigendommen konden worden opgedeeld in verschillende woonruimtes. Sommige fabriekseigenaars richtten zelf arbeiderswoningen in.

Na de groei in de binnenstad kwam er een nieuwe industriële expansie buiten de stad. Dit kwam door de groeiende bevolkingsdichtheid, het aanleggen van de haven aan het Kanaal Gent-Terneuzen en tenslotte het afschaffen van de octrooirechten (1860). Daarbij kwam de wet van 1858 op de sanering van ongezonde buurten in het centrum. Dit verdreef de arbeiders naar de buitenwijken van de stad waar ook de nieuwe fabrieken opgericht werden. De kostbare grond in het centrum werd door de burgerij aangewend voor commerciële doeleinden en verfraaiing van de Kuip.

 

 

Leefomstandigheden

De ongunstige verhouding tussen bevolking en bebouwde oppervlakte in begin 19e eeuw bracht met zich mee, dat elk stukje grond dat ook maar enigszins geschikt was, werd gebruikt voor woningbouw. Vaak werden tuinen en binnenplaatsen van herenhuizen gewoon  gebruikt voor woningbouw

Vele arbeiders woonden in beluiken of cités. Verschillende woningen rond één koer werden met een poortje afgesloten (afsluiten = luiken à beluik). Vaak waren er maar twee ruimten in dergelijke woningen: beneden een keuken en boven een slaapkamer waar het hele gezin samen sliep. Veel plaats (of geld) voor bezittingen was er dan ook niet. Op de koer zelf was er vaak slechts één waterpomp en met wat geluk meer dan één toilet.

Doodlopende steegjes en rijen arbeiderswoningen werden aangelegd in de voorsteden en rondom de nieuwe arbeidsplaatsen, gewoonlijk op waardeloze gronden verkaveld door de bouwheren afkomstig uit de middenstand en de burgerij en soms, vooral in het laatste kwart van de 19de eeuw door de fabrikanten zelf, zoals in de intensief verkavelde Rabotwijk. Rond 1850 was er in Gent het beluik ‘Batavia’, waar 117 woningen het moesten stellen met slechts twee openbare pompen en zes wc’s. Hier woonden bijna 600 mensen! Deze erbarmelijke toestanden stonden in schril contrast met de herenhuizen die toen door de rijkere klasse bewoond werden. Deze huizen waren erg luxueus en hadden alle nodige comfort.