DE GROTEKAVALERIEKAZERNE ALIAS HET "PESTHUIS"*

Dat dienstplichtigen de pest hebben aan hun kazerne kan men begrijpen. Dat het leger zijn soldaten onderbrengt in een "Pesthuis" kan alleen te Gent gebeuren. De pest, die afschuwelijke besmettelijke ziekte die in vroegere tijden regelmatig onze streken kwam teisteren, bracht er het Schepencollege toe een speciaal gasthuis voor lijders aan deze "zwarte dood" op te richten. Een geschikte bouwplaats vond men op het Zand. "t Sant op de Keyserstraete door het Vijfwintgat" was een onvruchtbaar en verlaten stuk Jaag zandplateau volledig geschikt voor het afzonderen van pestlijders. Het hospitaal kwam klaar in 1582. Het werd in het Noorden begrensd door het Klein Scheldeken, ten westen door de Keyserstraete (nu Brusselsepoortstraat), in het Oosten door de Neer-Schelde en ten zuiden door schrale gronden. Enkele schamele huisjes zoomden de Keyserstraet. Over het uitzicht en de omvang van het gebouw vermelden de archieven weinig. De kaart van Hondius (1641) vertoont drie afzonderlijke gebouwen, het langste langs de Schelde, de twee andere langs de Keyserstraete. We weten dat de Gentenaars reeds van bij het begin het hospitaal de naam "Pesthuis" of nog "huis van Sinte-Macharius" gaven. Het gasthuis bood plaats aan 200 zieken. In tijden van epidemie stierven ongeveer 60 % van de patiënten binnen de drie dagen. Daarom werd de ziekte in de volksmond ook de "haastige ziekte" genoemd. De doden begroef men ter plaatse, zoals latere opgravingen bewezen. De leiding van het huis lag bij een pestmeester of -meesteres. Meestal waren dit, zoals ook de verplegers, geestelijken die zich met de zieken lieten afzonderen en veelvuldig ook aan de plaag bezweken. In pestvrije perioden verpleegde men er soms gewonde soldaten.
Begin 1670 bevond het Pesthuis zich in zodanig slechte staat dat er geen herstellen meer mogelijk was. De bouwkundige A. Van Der Linden kreeg de opdracht een volledig nieuw gebouw te plannen. Het bouwverdrag telde 16 bladzijden en vertelde de aannemer tot in het kleinste detail hoe het nieuwe pesthuis er moest uitzien. Na afwerking mocht het nieuwe huis van St-Macharius gezien worden. Het volledig onderkelderde hoofdgebouw aan de Keyserstraet was tot drie duim boven de grond, opgetrokken in "blauwe doornicxschen arduyn". De rest in "armentierschen steen". De venster-en deuromramingen in gele zandsteen. In het huis bevonden zich, naast de kamers van de pestmeester en de verplegers, ook "een grote saele, een schotelhuys, een keueken, een botterije en een vertreckplaets ofte sekreet". In een tweede gebouw, op de binnenkoer langs de Neer-Schelde, waren de eigenlijke ziekenlokalen ondergebracht. Ze waren opgetrokken als apparte rijwoningen met een verdieping en een mansarde. In 1618 lagen er geen zieken in het gasthuis. Na de inname van Gent door de Franse generaal d'Humière werd het huis, voor de eerste maal, bezet door niet gekwetste militairen. Om de bijna lege stadskas aan te vullen legde het Schepencollege in 1683 een belasting van één stuiver (sol) op iedere zak tarwe die de stad binnenkwam. De helft van de zo verkregen inkomsten moesten dienen voor de herstellingen en uitbreiding van het Pesthuis. De andere helft werd gebruikt voor de restauratie aan de kerken St-Michiels, St-Niklaas en St-Martinus.  Het einde van de 17e en het begin van de 18e eeuw waren voor onze gewesten zeer noodlottig. Nooit bevatte het gezegde "België slagveld van Europa" meer waarheid. De Gentse ziekenhuizen, waaronder het Pesthuis, kregen gekwetste of zieke soldaten van verschillende nationaliteiten te verzorgen. Fransen ruimden de plaats voor Engseisen en Pruisen. Op hun beurt moesten die verdwijnen voor Zweden of Duitsers, die uiteindelijk de plaat poetsten voor Spanjaarden.
Een brand vernietigde in 1692 het dak en de eerste verdieping van het linker gedeelte van het hoofdhuis aan de Keyserstraat. Er was waarschijnlijk geen geld om de verdieping te herbouwen. Het nieuwe dak werd daarom rechtstreeks op de gelijkvloerse ruimten geplaatst. Op de tekening van het gebouw in de tweede helft van de 18e eeuw kan men dit nog duidelijk zien. Eindelijk kwamen er ook voor onze streek rustiger tijden. Door de vredes van Rastadt en Baden (6 maart en 7 september 1714) komen de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bewind. Het oude huis van St-Macharius bleef voorlopig hospitaal. Regelmatig bezetten voorbijkomende troepen de soms leegstaande lokalen. Vanaf 1745 verhuurde de Stad de gebouwen aan de Staat. De hospitaalfunktie van het oude Pesthuis is hiermee beeindigd. Alleen militairen zullen in het vervolg nog de lokalen bewonen. Het eerste volledige regiment dat de kazerne kwam bezetten was dit van de Dragonders van StIgnace. Voor niet te achterhalen reden, werden in 1783 enkele oude gebouwen en een stuk grond tussen de kazerne en het Klein Scheldeken verkocht. Op deze plaats is later de huizenrij die nu nog bestaat opgetrokken (waaronder de winkel van Sam). Tijdens het jaar van de Brabantse Omwenteling huisden de patriotten van het Regiment van Gent in het Pesthuis. Bij dekreet van 27 juni 1810 werden alle militaire gebouwen afgestaan aan de steden die ze daarvoor moesten onderhouden en bemeubelen. De Pruisen en de Kozakken kwamen on in 1814 bevrijden van het Franse juk. De kazerne in de Keizerstraat was in zo slechte staat dat men er alleen nog paarden in onderbracht. De soldaten werden bij de burgers ingekwartierd. Tussen 1814 en 1833 trachtte de stad de gebouwen zoveel mogelijk bewoonbaar te maken. Ook enkele stallen werden vervangen. In 1823 onteigende men het huis van Jean Baptiste Maelcamp. Hij kreeg de som van 11.340 gulden voor zijn eigendom dat tegen de kazerne aanleunde. Na aanpassing liet men er soldaten in logeren. De schildersbaas Henri Trinconi mocht in 1833 het ganse complex herschilderen. Nog maar pas was de verf droog of het Ministerie van Oorlog bood de stad aan het garnizoen te vergroten, onder voorwaarde voor de nodige plaats te zorgen. Het Schepencollege nam het voorstel aan. Waren de soldaten in vroegere tijden, zowel op het platteland als in de steden, geschuwd als de pest, vanzohaast ze niet meer bij de burgers werden gelogeerd waren ze voor de meesten welkome verbruikers. De Stad kreeg per man en per paard een vergoeding. Daarmede kon ze de kazemege bouwen onderhouden. Daar er niet te nauw gekeken werd als het over logement voor militairen ging, bleef er meestal geld over. De herbergen en winkeltjes rond de kwartieren deden gouden zaken. De leveranciers van levensmiddelen en van hooi, stro en haver hadden niet te klagen. Ook de meisjes van plezier waren tevreden. De begoede burgers vaarden er ook niet slecht bij. Ze konden hun huizen aan de getrouwde officieren verhuren en hun jonge dochters aan de ongehuwden kwijtraken. Op al deze handelingen kon de stad dan nog een belasting heffen. Daar er dus meer kavalerie naar Gent kwam moest het Pesthuis aanzienlijk worden vergroot. Zeven huisjes langs de "Brusselsche straet" (vroegere Keyserstraet) palend aan het "Water-straetje" alsook een woonst met hof in hetzelfde straatje, alles eigendom van pastoor Louis Charles Kervijn, werden onteigend. De aanbesteding tot afbraak van deze woningen geschiedde op 13 mei 1835 "op verhooging en bij keers-branding" . De aangekochte huizen en gronden hadden 66.860 frank gekost. Het geld kwam gedeeltelijk uit de schadeloosstelling die de Nationale Regering de stad had uitbetaald voor de afbra,ak van een vleugel van de voetvolkkazerne op de Kattenberg (nu Leopoldskazerne) tijdens de revolutie van 1830.(11} Buiten het centrale huis op de binnenplaats, verbouwde men het oude Macharius-hospitaal volledig. Als de vernieuwde kazerne in 1836 klaar was had ze haar huidig uitzicht aangenomen.(Afb. 6 en 7) Veel groter geworden en tot twee verdiepingen opgetrokken bood ze slaapruimte aan 600 man.(12} Ook de paarden waren niet vergeten. Twee grote stallen met smidse gaven plaats aan350 dierenDit aantal werd in 1845 uitgebreid tot 485 door het inrichten vàn een derde stal. Ook het gelijkvloers van de woonblok langs de Brusselse straat was voor meer dan de helft in gebruik als stalling. De bouwkosten beliepen 164.375 frank waarvan de Staat 59.100 fr op zich nam. Voor de militairen was de situatie nu veel verbeterd. Voor de omwoners niet, integendeel. Samen met het afschaffen van het Waterstraatje, ook nog Pesthuisstraatje genoemd, was de mogelijkheid water te halen uit de Nederschelde verdwenen. Er moest dus een openbare pomp in de plaats komen. Het driehoekig pleintje vóór de ingang van de kazerne leek geschikt voor het graven van een waterput. Het kruis dat er reeds stond vóór 1534 (panoramaplan van 1534} verving men door de monumentale pomp die er nu nog steeds het drukke kruispunt versiert. Tussen 1836 en 1940 veranderde er niet zoveel meer in en rond het kavaleriekwartier. We vermelden hierna de interessantste data's:
- 1858 : bouwen:van een prison met 16 cellen langs de ScheldekaaL
 - 1863 : Vanaf 1 aprilwerden de Cuirassiers eenheden afgeschaft en vervangen door Lansiersregimenten. Het 2de Cuirassiers dat op dit ogenblik in Gent verbleef hing zijn cuiras en prachtige. stalen helm met vederbos aan de haak en kreeg een dolman en een chapska met de kleuren van het 4e lansiers in de plaats.
- 1873 : De kazernen komen ten laste van de Staat. Het duurde tot 22 juli 1876 vooraleer de gebouwen volledig hersteld waren en het P.V. van overname getekend.
 - 1882 : In de maand maart verwoest een orkaan het latrinepaviljoen. Eerst in 1886 plaatst men twee nieuwe toiletgebouwen. Men kan zich afvragen waar de lansiers intussen hun broek lieten zakken, misschien aan de Kleine of Neerschelde?
- 1887: Een stuk terrein afgegeven aan Bruggen en Wegen voor het verbreden van de ·Schelde.
- 1888 : De Scheldekaai is vernieuwd en men heeft een leuning geplaatst. Er komt een wachtlokaal op de Scheldedijk.
 - 1902 : Het gebouw met de cachotcellen wordt gedeeltelijk gebruikt als munitiedepot voor kleine munitie.
- 1904: De tram komt door de Brusselse straat. De trammaatschappij vraagt toelating de vasthechtingen voor de elektrische leidingen aan de kazernemuur te mogen plaatsen.
- 1908 : Een "auvant" gebouwd tegen het blauwhuis. Onder de oorlog vond de Duitse kavalerie onderdak in het kwartier.
Ook de militaire telefooncentrale vond er een plaats. Voor dit doel plaatste men een "eindpaal" op het gebouw langs de Brusselse straat. Deze moest dienen om al de telefoondraden, over de daken heen, naar de telefooncentrale te leiden. De installatie is na de oorlog in gebruik gebleven bij het Belgischleger.
Een leuke anekdote over deze eindpaal. In 1932 was het de trompetters verboden het "lichten uit" in fantasie te blazen. De muziek~nt moest naast het wachtlokaal en onder toezicht van de postoverste het zeer korte slaapsignaal geven. Op een avond was de trompetter van dienst, Van Vlaenderen, nergens te vinden. Paniek bij de wachtmeester. Maar geen nood, klokslag 10 uur klonk uit de hemel de prachtige in fantasie gebrachte sonnerie. Hoog boven de telefoonmast liet Van Vlaenderen, in een roes, zijn kunde horen. Op het luidruchtig en langdurig bravogeroep volgde natuurlijk een tweede uitvoering. Wat de man s'anderdaags van zijn kommandant heeft meegekregen is ons niet bekend. (met dank aan de heer FUMIÈRE voor deze anekdote)
- 1922: Langs de Schelde komt een loods met werkplaatsen.
- 1924 : Elektriciteit aangelegd in gans het kwartier.
Vanaf 6 januari 1933 moesten alle kazernen en andere militaire gebouwen worden aangeduid met de naam van een gesneuvelde uit de eerste wereldoorlog. De kavaleriekazerne kreeg de titel "Kapitein Kommandant de Hollain". 
Op 2 april1933 werd in de "Hollain" een memoriaal ingehuldigd ter ere van de artilleristen van de 1e Legerdivisie gesneuveld tijdens de oorlog.
Het Klein Scheldeken, Arm der Vijfwindgaten, dat reeds vele jaren lag te stinken, dempte men eindelijk in 1939. In het vooruitzicht een tweede ingang aan het kwartier te maken werd de verworven grond aan de kazerne toegevoegd. Tijdens de tweede wereldoorlog bevolkte de Duitse bezetter het kwartier.
 Na de bevrijding in 1944 gebruikte men de gebouwen voor allerlei doeleinden. De fameuze dienst "Sedichar" hield vanuit de Hollain een oog op onze kolendistributie. De dienst militaire gebouwen vond er een plaats. De stallen dienden als opslagplaats voor alles en nog wat. De kanonnen van de Landelijke Luchtafweerdienst (L.L.A.), die er iedere zaterdagnamiddag enkele uurtjes kwam oefenen, hadden er hun loods) enz; enz.
In 1961 kwam het Hoofdkwartier van de Basis Luchtmacht zich in het oude kwartier vestigen. Ze hebben het er goed gevonden want tot vandaag verblijven ze er nog. Bij de verkoop van de Demanet kazerne, die een beetje verder in de Brusselsepoortstraat lag en eigenlijk deel uitmaakte van de Hollain, sprak men er ook van de grote kavaleriekazerne van de hand te doen. Gelukkig is dit niet gebeurd, anders was het oude Pesthuis misschien ook reeds afgebroken.