Geschiedenis van de Gentse haven

Gent was in de middeleeuwen een belangrijk handelscentrum. De Gras- en Korenlei waren vanaf de late 13de eeuw het kloppende hart  van de haven van Gent.

Het gebied dat we nu kennen als de Oude Dokken lag toen net buiten de stadsomwalling. In die periode werd dit, net als de gehele noordelijke flanken van de binnenstad, vooral gebruikt voor strategische doeleinden. Om de stad te beschermen tegen vijandige indringers werd het regelmatig volledig onder water gezet. Het gebied had een moerassige bodem en was lange tijd ongeschikt om op te bouwen.

Omdat ook de schepen groter werden, waren de waterwegen en de bijbehorende infrastructuur eind 19e eeuw aan uitbreiding toe. Het kanaal Gent-Terneuzen werd breder en dieper en ook het Handelsdok werd onder handen genomen. Het lossen van de schepen gebeurde in het water. Dit hinderde de aanvoer van hout en andere activiteiten in het dok. Het Handelsdok werd verbreed en aansluitend werd een nieuw dok aangelegd, het Houtdok. Daar kwamen grote loodsen waar het hout voortaan netjes kon worden gestapeld. In 1881 huldigde koning Leopold II het Houtdok officieel in.

Snel daarna werd het Handelsok nog eens verbreed en werd nu ook het Achterdok, dicht bij de Dampoort, van een kaaimuur voorzien. Vanaf dan begon de haven zich in noordelijke richting uit te breiden. In 1886 was de Voorhaven klaar. Om te voorzien in de stijgende behoefte aan havendokken werd in 1900 een uitbreidingsplan aangenomen. Zo kwam het Grootdok (1900-1930) tot stand met 3 vingerdokken (of Darsen): het Noorddok (1908-1913), het Middendok (1910-1925) en het Zuiddok (1927-1930). Deze uitbreiding kreeg ook de naam Port Arthur.

Dat was de start van wat vandaag het Gentse havengebied is.

 

De economische crisis in de jaren ’30 van de vorige eeuw deed de uitbreidingswerken aan de haven tot na de tweede wereldoorlog stilvallen. In de tweede helft van de 20e eeuw begonnen de havenactiviteiten zich stilaan te verplaatsen van het gebied rond de Oude Dokken naar de nieuwe haven. Schepen werden nog groter, rond de Oude Dokken was er nauwelijks plaats voor uitbreiding.

Het Havenbedrijf besliste dan ook om zich definitief uit het oude havengebied terug te trekken. De watergebonden activiteiten werden vervangen door andere en zeer diverse economische activiteiten. Dat gebeurde op een weinig gestructureerde manier, waardoor het gebied nu een eerder verwaarloosde indruk geeft. Hoogste tijd dus voor Nieuw Leven in de Oude Dokken.

Later volgden nog het Schepen Sifferdok (1931) dat na de oorlog  werd verlengd (1961-1968) tegelijkertijd met het graven van het Petroleumdok (1966-1968, werd herdoopt tot Mercatordok). De haven bleef maar groeien, o.m. door het graven van het Rodenhuizendok (1970-1978) en het bouwen van een insteekdok bij het Sifferdok (1980-1982), het  Kluizendok (1996-2005, met 11 windmolens van Citypower) en het verdiepen van de bestaande dokken.

De geschiedenis van de Oude Dokken hangt samen met de voortdurende zoektocht van de Stad Gent naar een rechtstreekse link met de zee. Nadat het kanaal van Gent naar Damme door de verzanding van het Zwin onbruikbaar was geworden als verbinding met de Noordzee, werd in het midden van de 16de eeuw de Sassevaart, tussen Gent en Sas van Gent, gegraven. Honderd jaar later verboden de Noordelijke Nederlanden alle verkeer op deze waterweg.

In de 17de eeuw werden onder impuls van de aartshertogen Albrecht en Isabella kanalen van Gent naar Brugge en van Brugge naar Oostende gegraven. Op die manier beschikte Gent over een verbinding met de Noordzee.

Om de doorvaart van grotere schepen doorheen de stad mogelijk te maken, werden daarna enkele rechte waterwegen gegraven, de zogenaamde coupures. De bekendste, tussen de Brugse Vaart en en de Leie, heet vandaag nog altijd ‘Coupure’. Een andere coupure is bekend onder de naam ‘Rommelwater’ en verbindt de Leie met de Nederschelde.

 

In het begin van de 19de eeuw kende de Gentse katoennijverheid een enorme explosie. Het productieproces werd gemechaniseerd, de afzetmarkt groeide. De nood aan een vlotte verbinding met de zee groeide zienderogen. Koning Willem I van de Verenigde Nederlanden liet daarom het kanaal Gent-Terneuzen graven, een verlenging van de Sassevaart. In 1827 volgde de inhuldiging van dit kanaal, dat van aan de Tolhuissluis tot in Terneuzen liep.

Tegelijk werkte de Stad Gent hard aan de infrastructuur van zijn haven. Meteen na de openstelling van het kanaal Gent-Terneuzen werd, tussen de Dampoort en de Sassepoort, het Handelsdok gegraven, dat met het kanaal in verbinding stond. In 1829 werd het officieel ingehuldigd. Dat was de eerste grote aanzet voor de huidige vorm van de Oude Dokken.

 

Tegen het midden van de 19e eeuw ging de Stad Gent volop verder met de ontwikkeling van de haveninfrastructuur: in 1844 werd de eerste steen van het Stapelhuis gelegd (waar vandaag het Handelsdokcenter staat), er werden loodsen en aanlegsteigers gebouwd, grote kranen werden in gebruik genomen. En de economie bleef groeien.

 

Ongeval met kraan in Haven

 

Werken in de haven rond 1910