Sint Pietersstation

In 1908 kreeg architect Louis Cloquet (1849-1920), opdracht tot het bouwen van een volwaardig en prestigieus stationsgebouw. Het Sint Pietersstation. De werken werden toevertrouwd aan de aannemers Van Herrewege en De Wilde en duurden van 1910 tot 1912. Tegelijkertijd kwamen de sporen op een verhoogde berm. Hierdoor vermeed men de talrijke gevaarlijke overwegen en kon men tegelijk een tracé realiseren dat de diverse waterlopen overbrugde.
Station Gent-Sint-Pieters is het belangrijkste spoorwegstation van de stad Gent en het op drie na drukste station van België, na de Brusselse stations Zuid, Centraal en Noord. Het werd in 1912 gebouwd ten zuiden van het oude stadscentrum ter voorbereiding van de wereldtentoonstelling van 1913. Het station heeft twaalf sporen en zes perrons, die tegen ten vroegste 2025 integraal vernieuwd zullen zijn in het kader van het Project Gent-Sint-Pieters. Er zijn ook vijf tramperrons gelegen aan het station, bediend door de drie lijnen van de Gentse tram. Het aantal reizigers is de laatste jaren sterk gegroeid; dagelijks maken ongeveer 56.000 reizigers gebruik van het station.
Reeds op het eind van de jaren 1830 werd het gebied ten zuiden van Gent in oost-westrichting doorsneden door de spoorlijn Brussel-Oostende. Het eerste station in de stad werd het Station Gent-Zuid, een kopstation in het stadscentrum. Op de lijn Brussel-Oostende werd in de jaren 1889-1890 een kleine halte ingericht ten zuiden van de stad, het zogenaamde "Klein Sint-Pietersstation", een doorgangsstation enkele honderden meter oostwaarts van het latere Sint-Pietersstation, ter hoogte van het huidige Parkplein.
Begin 20ste eeuw werden plannen opgemaakt om dit gebied van de wijk Sint-Pieters-Aaigem ten zuiden van de historische stadskern te verstedelijken en ook een nieuw station werd hier gepland. Deze urbanisatie werden wat vooruitgeschoven met het oog op de Gentse Wereldtentoonstelling van 1913, wat ook de ontwikkeling van het nieuwe station stimuleerde. De opdracht tot ontwerpen van het station werd toegekend aan ingenieur Louis Cloquet rond 1908. Hij gaf het station een monumentaal voorkomen. Het station werd in lengterichting gebouwd langs de sporen van 1910 tot 1912. De voorgevel werd in noordelijke richting naar het nieuwe stationsplein (Koningin Maria Hendrikaplein) georiënteerd dat in 1912-1913 werd aangelegd. De sporen kwamen nu op een verhoogde berm om de waterwegen te overbruggen en overwegen te vermijden.
In het najaar van 2006 werd van start gegaan met het Project Gent-Sint-Pieters dat het station en zijn hele omgeving grondig zal veranderen en vernieuwen. Na de voorbereidende werken, die zich voornamelijk situeerden in de straten rondom het stationscomplex, konden in november 2010 de eigenlijke stationswerken aanvatten. Tegen 2025 zullen alle sporen en perrons integraal vernieuwd zijn en is er een grote, open ruimte onder het sporencomplex.
Station Gent-Sint-Pieters heeft een karakteristieke uurwerktoren die asymmetrisch ten opzichte van de hoofdingang is geplaatst. Net zoals de toren van het oud postgebouw aan de Korenmarkt, dat door dezelfde architect (Louis Cloquet) werd ontworpen.
Men had in 1975 ontdekt dat de toren scheef stond. In 1999 werd bij de renovatie van het stationsgebouw opgemerkt dat de toren nog schever stond. Pas in 2005 werd het duidelijk hoe dramatisch de staat van de toren was: hij helde dertig centimeter over onder andere omdat de metalen steun binnenin kromgegroeid en volledig verroest was. Uiteraard was de toren niet meer water- en vochtbestendig. Ook de oude baksteen was niet meer vocht- en vorstbestendig, daarom werd besloten om de toren steen voor steen af te breken en weer op te bouwen in gewapend beton met een buitenzijde van bakstenen gemetseld die zo veel mogelijk lijken op de oorspronkelijke stenen. De nieuwe toren (kopie van de oude) werd tijdens de zomer van 2006 opgebouwd.
De hal van het station is versierd met muur- en plafondschilderingen. De muurschilderingen tonen taferelen die verschillende Belgische steden moeten voorstellen; bezoekers aan de Wereldtentoonstelling van 1913 konden zo ook met de rest van België kennismaken. Het betreft onder meer Oostende, Antwerpen, Brussel, Brugge, Kortrijk, Oudenaarde, Ieper en Mechelen.