OLV met de inktpot  Groot Vleeshuis  Groentenmarkt

Boven de ingang van het Groot Vleeshuis naast het Galgenhuisje staat Onze-Lieve Vrouw met de inktpot. Reeds bij oprichting van het Vleeshuis rond 1416 zou er al sprake zijn van dit beeld.
De sage rond dit beeld vertelt het verhaal van de magistraatszoon Huibrecht die in een poëziewedstrijd mee wou dingen naar de eerste prijs maar niks op papier kreeg geschreven. In een laatste betrachting toch nog iets te verwezenlijken riep zijn zus Elisabeth ’s nachts de hulp in van Onze-Lieve-Vrouw, troosteres der bedrukten.
Opeens verscheen Onze-Lieve-Vrouw met het kind in de kamer. De kleine Jezus overhandigde een ganzeveer en Maria plaatste een inktkoker op de schrijftafel. Als bij wonder was opeens alle inspiratie aanwezig om een dichterlijk meesterwerk op te maken. Toen Huibrecht het werkstuk voorlas kreeg hij alle lof en won de eerste prijs.
Uit dank lieten Elisabeth en Huibrecht een beeld maken die herinneren aan deze unieke beleving nl. Onze-Lieve-Vrouw met de inktpot.

Het beeld is door de calvinisten tweemaal beschadigd geweest en in 1600 volledig hersteld. Tot 1975 kwamen buurtbewoners kaarsjes aansteken en bloemetjes neerleggen om de nodige inspiratie te verkrijgen.

Een andere sage speelt zich eeuwen en eeuwen geleden, toen Lodewijk II van Nevers nog graaf van Vlaanderen was, en toen lakenkoopman Jacob Van Artevelde nog niet versteend op de Vrijdagmarkt stond (en naargelang de versie verwees naar Engeland, pintjes bestelde of gewoon voelde of het regende) maar in levende lijve politieke en economische onderhandelingen met de koning van Engeland voerde. In volle middeleeuwen dus.Wanneer en waar het precies gebeurde, is door het stof der eeuwen geleidelijk aan vervaagd. We weten alleen dat het reeds donker was want de nachtwakers deden reeds hun ronde. Aan een donker portiek struikelden ze bijna over een vormeloze massa. Toen ze bijlichtten met hun flambouw bleek het een dode man te zijn. Vermoord. Neergestoken. Consternatie bij de nachtwakers. Aan de fijne stoffen en rijke versierselen van de kleding van de dode, zagen ze dat het om een belangrijk persoon ging. Deze moordzaak moest snel opgelost geraken of ze kwamen zelf in de problemen.
Hoe hij het zo slecht kon timen, zullen we nooit weten, maar net op dat moment passeerde Juul, een gezel van de vleeshouwersnering, door de straat. Hij had daarstraks een varken gekeeld en was op weg naar huis. De nachtwakers spraken hem natuurlijk aan en ontdekten dat hij een groot mes bij zich had. Voor hen was de zaak simpel: een dode met messteken, een voorbijganger met een mes, dus: de voorbijganger is de dader. Juul werd onmiddellijk gearresteerd en overgebracht naar het Gravensteen, waar hij ondervraagd werd. Het mes werd onderzocht en bleek bloedsporen te vertonen. Juul bleef volhouden dat hij een varken had gekeeld en dat hij blijkbaar zijn mes niet goed gereinigd had en dat het bloed op het mes dus varkensbloed was, maar zijn ondervragers geloofden er geen snars van (CSI Gent stond nog in de babyschoentjes en van dat goochelen met hun scheikundedozen was nog helemaal geen sprake). De volgende dag reeds werd Juul voor de vierschaar gebracht en ook de rechters hechtten geen geloof aan zijn verklaringen. Hij werd ter dood veroordeeld en het vonnis moest ’s anderendaags voltrokken worden. Juul werd weer in de kerker opgesloten en kreeg het bezoek van een biechtvader. Om zijn ziel te redden kreeg Juul de raad om alleen maar de volledige waarheid te vertellen. En Juul vertelde nogmaals zijn verhaal en bleef volhouden dat hij onschuldig was. De biechtvader kreeg medelijden met de jongen maar kon hem niet helpen. Bij het afscheid kon hij hem alleen troosten door hem te verzekeren dat hij voor hem ging bidden en dat Juul zelf ook veel tot Onze-Lieve-Vrouw moest bidden. Wat Juul deed. Hij bad en bad en bad en bad, alle gebeden die hij kende en alle mogelijke nieuwe gebeden die hem in zijn uiterste nood te binnen schoten, tot hij van uitputting op de kille kerkervloer in een diepe slaap viel. Maar in zijn slaap verscheen hem plots het stralende beeld van Maria met het kindeke Jezus op de arm en in haar vrije hand een inktpot. Klein Jezuske had een ganzenveer en een stukje perkament vast. Hij doopte de veer in de inktpot en schreef iets op het perkament, dat hij oprolde en aan de sprakeloze Juul gaf, met de mededeling dat die dit ’s ochtends aan de bewaker een onderhoud met de baljuw moest vragen.
Juul ontwaakte in het besef dat hij gedroomd had. Een wondermooie droom, dat wel, maar toch een droom. Hij besefte dat zijn laatste uren geslagen hadden. Groot was dan ook zijn ontsteltenis toen hij naast zich een opgerold stukje perkament ontwaarde. Was het dan toch geen droom geweest? Instinctief rolde hij het perkament open en zag de schitterende gouden letters. En al kon hij niet lezen, hij begreep dat hij een hemelse boodschap in zijn handen had. Bang wachtte hij het verloop van de gebeurtenissen af, inmiddels dankgebeden prevelend voor Onze-Lieve-Vrouw en haar goddelijke zoon voor dit mirakel. Toen de bewakers hem kwamen ophalen voor de executie vroeg hij om een onderhoud met de baljuw. Wonder boven wonder werd dit hem toegestaan en Juul kon hem de goddelijke boodschap overhandigen. De baljuw las het bericht, schrok en beval de wachters om Juul onmiddellijk vrij te laten.
Wat de boodschap precies inhield, heeft, behalve de baljuw, nooit iemand geweten. In zijn grote vreugde en dankbaarheid om het nieuwe leven dat hem te beurt viel, liet Juul een beeld maken van Onze-Lieve-Vrouw en de inktpot, dat hij in de buurt van het Gravensteen liet plaatsen. Vele, vele jaren later zorgde de gilde van de vleeshouwers ervoor dat het beeldje werd overgeplaatst naar het nieuwe Groot Vleeshuis, waar het zich nu nog steeds bevindt, in een nis boven de ingang.