Staff techniek

 

Met uitzondering van het Floraliënpaleis, het Museum voor schone Kunsten en enkele huizen in het Moderne Dorp, waren alle expo-gebouwen opgetrokken volgens het zogenaamde ‘staff-proces’.

Die techniek is van Engelse origine, en werd ca 1890 op punt gesteld, en maakte op expo’s furore.

De staff-techniek bestond in het aanbrengen van pleister (stap 2) op een geraamte van hout of metaal (stap 1). Op die manier kon er buitengewoon snel gebouwd worden met een betrekkelijk stevig resultaat.

Een mengsel van pleister, dextrine, glycerine, eiwit en marmer werd in vormen gegoten. Van één vorm konden 15 tot 20 afgietsels vervaardigd worden.

De aldus bekomen stukken werden op een vooraf gebouwd houten of metalen skelet gemonteerd en het geheel werd met verschillende verflagen afgewerkt (Stap 3).

De staff-techniek voerde regelrecht naar een uitgesproken façade-architectuur. Het buitenaanzicht had weinig relatie met het interieur, achter de complexe gevels school vaak één grote ruimte die met tussenschotten werd onderverdeeld. Het metalen gebinte werd achter draperieën verborgen.

In een recordtijd kon op die manier een hele stad worden opgetrokken, een schijnstad die er toch uitzag alsof ze nooit zou verdwijnen.

Alles voor de tentoonstelling werd aan- en afgeleverd via de halte Maaltebrugge van de oude spoorlijn naar Kortrijk.

Als voorbeeld van de verschillende stappen heb ik de opbouw van het Paviljoen van Parijs gebruikt.

 

De Gazette van Gent schrijft op 26 januari 1913 het volgende
"Vele personen die in de laatste dagen het terrein van de tentoonstelling bezochten drukten hun vrees uit dat men niet op tijd gereed zal komen. Het zal hen enigszins gerust stellen te horen dat er thans in de verschillende afdelingen meer dan 2500 werklieden aan de arbeid zijn. Donderdag waren er juist 2543."