Protestantse kerk Brabantdam

DE VOORMALIGE KERKDER PATERS CAPUCUNEN(NU PROTESTANTSE TEMPEL)

Door de Hertog van Parma, Gouverneur-Generaal der Nederlanden, in 1589 verzocht een lokaal te zoeken voor de Capucijnen, huurden de Gentse schepenen voor hen de St-Christoffelkapel, met de aanpalende gebouwen, die afhing van het hospice der Volders. · · De stad betaalde daar een huurgèld voor tot aan het einde van het "Ancien Régime". _ Daar de kapel in puin dreigde te vallen, besloot het Magistraat in 1632 een nieuwe kerk bouwen. Bij besluit van 13 februari van dit jaar keurden de schepenen het plan van de voorgevel goed. In de twee bovenste cartouchen stonden de wapens van Gent en deze van de souverein aangeduid. Het blazoen van Gent moest eveneens voorkomen in de kerkramenvan de voorgevel. De drie grote deur-en vensteropeningen, alsook de opening in de vorm van een kromlijnige, gelijkzijdige driehoek die boven het middenvenster geplaatst is, herinneren aan de gothische stijl, terwijl de "rampants" van het bovendeel van de gevel het karakter dragen van de XVIIe eeuw. Dit gebouw, waarvan de muren in rode baksteen zijn, en het lijstwerk, de ketens en de eenvoudige sculpturen in witte steen, is helemaal niet overladen met ornamenten. Desniettegenstaande deed Pater Juvénal, provinciaal van de Capucijnen, opmerken dat de voorgevel te weelderig was. De schepenen antwoordden dat ze niets aan het ontwerp konden wijzigen, aangezien de tempel niet toebehoorde aan de Stad, noch aan de Paters Capucijnen, en dat men er zich toe beperkt had, zich houdend aan zekere voorwaarden, een gebouw van de nering der volders te herbouwen. Wij bezitten in de stadsarchieven de minute van dit antwoord, opgesteld in het Latijn en gedateerd 3 november 1632. De Stad betaalde 1149 gulden aan Pieter Pieters voor de levering en het kappen van de steen, genoemd orduyn steen. (1) De kerk die onlangs een misschien te volledige restauratie ondergaan heeft dient als tempel voor de Protestantse eredienst sinds 1816. In dit jaar besloot men er een nieuw meubilair te plaatsen, waarvan de tekeningen bewaard worden in de dossiers van het stadhuis
De huidige Protestantse gemeenschap kreeg haar kerkgebouw aan de Brabantdam tijdens het bewind van Koning Willem I in 1815. In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd een amalgaampolitiek gevoerd. Dit betekende concreet dat de katholieke minderheid in het noorden en de protestantse minderheid in het zuiden door de overheid werden gesteund.
De Noordnederlandse predikant Albert Goedkoop was reeds in 1803 beroepen tot voorganger van de ‘Vlaamse Olijfberg’. Dit betrof de Protestantse gemeenten te Maria-Horebeke en Gent. In deze beginfase was Albert Goedkoop bijzonder actief. In 1815 verkreeg hij de voormalige kloosterkerk van de Capucijnen aan de Brabantdam te Gent. Het gebouw had tijdens het Franse bewind dienst gedaan als wapenarsenaal en was niet langer in gebruik. Tijdens de renovatie hield dominee Goedkoop openbare godsdienstoefeningen in de Pacificatiezaal van het stadhuis. In 1817 werd het gebouw officieel in gebruik genomen voor de Protestantse eredienst. Tot vandaag werden onafgebroken (met uitzondering van enkele maanden in 1832 toen het gebouw werd geconfisceerd om een cholerahospitaal in onder te brengen) op zondagmorgen erediensten gehouden.
Bij de onafhankelijkheid van België en onder impuls van de liberale grondwet die vrijheid van godsdienst voorschreef, herkende koning Leopold I (zelf van Protestantse huize) de Protestantse Kerk naast de Rooms-Katholieke Kerk.
In 1844 trad de predikant Koster-Henke aan. Zijn voorganger ds. A. Goedkoop dreef op het enthoesiasme van het Réveil. Dit was de piëtistische benadering van het christelijk geloof die als reactie tegen de seculariseringstendenzen van de Verlichting ontstond. Dominee Koster-Henke was een bemiddelingsfiguur die een begin maakte van toenadering en dialoog met de maatschappelijke evoluties. In het eerste jaar van zijn ambtstermijn werd in het gebouw aan de Brabantdam een lagere school opgericht (in de ‘agterkoorplaats’). Het Protestants schooltje ging van start met 20 leerlingen en mocht zich in het tweede jaar van haar bestaan verheugen in 75 kinderen. Daarnaast kende de gemeenschap een exponentiële groei en structurele uitbouw.
De derde markante fase in de geschiedenis van de Protestantse gemeenschap aan de Brabantdam treedt in vanaf 1876. Tijdens de jaren zeventig van de 19e eeuw wendden een aantal vooraanstaande liberalen zich tot het Protestantisme. Een bewuste overgang naar een Protestantse spiritualiteit met nadruk op bijbel en geloof wordt als tegenhanger van de dominante Katholieke cultuur in Vlaanderen gepresenteerd. Prominente figuren in Gent zoals Paul Fredericq, Gustaaf en Albert Callier, François Laurent en anderen huldigen de gedachte dat alleen in een maatschappelijk liberaal klimaat de mens tot een ‘voortreffelijke’ zedelijkheid, uitgedrukt in het christelijk geloof, kan komen. De overgang van het piëtistische Réveil naar het liberaal Protestantisme werd gestimuleerd door de toenmalige predikant dominee Blom. In deze periode blijkt duidelijk de nauwe banden tussen het Gentse Protestantisme en Orangisme.
De eerste wereldoorlog herschudt de kaarten. Mede door toedoen van de meest spraakmakende predikant uit de geschiedenis van het Vlaams Protestantisme, dominee Domela Nieuwenhuis, raakt de Gentse gemeente in nauwe schoenen. Aanvankelijk werd Jan Derk Domela Nieuwenhuis het ambt van predikant te Gent aangeboden onder impuls van Paul Fredericq. Beiden waren taalminnend en geloofden in de noodzaak van de culturele ontvoogding van Vlaanderen. In de aanloop naar de eerste wereldoorlog gaan hun wegen uit elkaar. Predikant Domela richt zich resoluut tot Duitsland en verwelkomt van op de kansel de Duitse bezetter als bevrijder van Vlaanderen. Dit is helemaal niet naar de zin van de liberalen die door Domela steevast ‘de oude gemeente’ worden genoemd. Naar het einde van de eerste wereldoorlog is de situatie onhoudbaar geworden. De predikant engageert zich verregaand in de Vlaamse strijd door oprichting van ‘Jong Vlaanderen’ en ongenuanceerd de kaart van het activisme te trekken. Klap op de vuurpijl is de deportatie van ouderling Paul Fredericq (samen met historicus Henri Pirenne) die toen rector van de Gentse universiteit was en weigerde onder Duits Bewind de vernederlandsing van het onderwijs door te voeren. Na de oorlog wordt dominee Domela Nieuwenhuis bij verstek ter dood veroordeeld wegens collaboratie. De Protestantse gemeenchap verkeert in grote crisis als Paul Fredericq uit gevangenschap terugkeert en opnieuw de leiding neemt. Amper twee jaar later sterft hij aan de gevolgen van de deportatie. De gemeente moet helemaal opnieuw worden opgebouwd.
Als in 1928 dominee Edouard Pichal aantreedt als predikant van de Brabantdamkerk wordt een nieuwe fase ingeluid. Met grote ijver en tact wordt aan de wederopbouw gewerkt. Opnieuw kent de Protestantse gemeente een flinke groei. Loyaliteit aan de Belgische Staat en het onderstrepen van de christelijke vrijheid behoedden de Protestantse Kerk tijdens WO II door de politieke stroomversnellingen te worden meegesleurd. Dominee Pichal bewaart de rechte koers en wordt in 1949 inspecteur van het Protestants godsdienstonderwijs en in 1954 voorzitter van de Synode van Protestantse Kerken in België.
De tweede helft van de 20e eeuw bewaart de Brabantdamkerk deze koers en werkt aan de verdieping van het christelijk geloof in een snel veranderende context.