13 Cotonière E.J.Braun (1946-2009)

Adres (huidig):Maïsstraat 207-213

GPS-coördinaten: 51°04’18.0”N 3°42’47.1”e

Aan de bouw van de Cotonnière E.J.Braun werd eind 1946 begonnen. De werken waren voltooid eind 1948 en in 1949 werd de fabriek ingehuldigd. Het werd de belangrijkste en modernste fabriek van de Union Cotonnière. In tegenstelling tot de meeste andere fabrieken in de Union Cotonnière was dit geen fabriek met etages. Het was een fabriek met één verdiep over een gigantische oppervlakte. Het was ook één van de weinige fabrieken die over voldoende ruimte beschikte om steeds de modernste machines onder te brengen. Dit gebouw uit 1948 was het eerste gebouw op industrieel niveau uit voorgespannen beton. Het had een oppervlakte van 4.500 m2 en werd ontworpen en opgevolgd door professor Magnel van de Gentse Universiteit. De belangrijkste aannemer was de firma Blaton. De fabriek werd ’katoenfabriek Emile-Jean Braun (E.J.B.)’ genoemd, naar de stichter van de oude Union Cotonnière De fabriek sloot in 2009. Er wordt momenteel volop ingezet op de herbestemming van de fabriek tot sociale economiecluster. Zo is het Opleidings- en Tewerkstellingscentrum (OTC) van de OCMW Gent hier ondertussen gevestigd en engageerden Ateljee, Con Brio, De Sleutel en Labeur zich ook voor de herontwikkeling van de site.

De hal waarin men het weefsel voor de bluejeans produceerde, lag op het gelijkvloers en was 5,70 m hoog. De afstand tussen de zuilen bedroeg 14,20 m in de breedte en 21,60 m in de lengte. Dat was ideaal voor een fabricagecyclus spinnerij - voorbereiding weverij - garenververij en -sterkerij - weverij - veredeling.

Bij het begin van de productie in 1950 telde de fabriek drie grote entiteiten in katoen: een spinnerij, een twijnderij en een weverij. De twijnderij was gespecialiseerd in het twijnen van grove kabels, onder andere bestemd voor het breien van visnetten. In de weverij werden zeer sterke weefsels geproduceerd ter versterking van autobanden en transportbanden.

Op vrijdag 22 juni 1950 bracht ZKH Prins Boudewijn een bezoek aan de fabriek. Vanaf 1960, met de opkomst van de synthetische vezel, werden de visnetten gebreid met synthetische vezels en werden de transportbanden uitgerust met synthetische vezels. Enkele jaren later werden de autobanden verstevigd met ijzerdraad.

In 1970 besliste de Raad van Bestuur om de twijnderij en de weverij te sluiten en om de spinnerij te moderniseren door de spincontinu’s te vervangen door open-endspinmachines van de Engelse firma Platt. Vervolgens werd de spinnerij geïntegreerd in een fabricage-eenheid voor het produceren van weefsels voor de confectie van bluejeans.

De commerciële directie wilde eerst samenwerken met de Amerikaanse indigo-sportswearproducent Graniteville. Na een lange studie in de USA besefte UCO dat het met het procedé „rope dyeing“ duurder zou zijn dan Amerika. Daarom heeft Jacques Hanet, samen met mijn dienst Onderzoek & Ontwikkeling gezocht naar een nieuw, economischer verfprocedé, namelijk een procedé dat vertrok van een garenlaag in plaats van een garenkabel om continu te verven en te sterken.

Om dit nieuwe procedé te bestuderen liet Jacques Hanet een kleine laboratoriummachine bouwen om de nodige onderdompelingstrijd van de materie in het verfbad en de oxidatietijd te bestuderen. Dit werd uitgevoerd door de dienst Onderzoek & Ontwikkeling onder de leiding van de heer Verroken en met de hulp van de kleurstofproducent BASF. In 1971, na de bepaling van het aantal baden en het aantal oxidatiedoorgangen, nam Jacques Hanet contact op met een Europese constructeur om de machine te bouwen, maar die beschouwde het procedé als utopisch. Uiteindelijk was de Amerikaanse constructeur van sterkmachines West Point Foundry sterk geïnteresseerd om met de dienst Onderzoek & Ontwikkeling van UCO samen te werken. Vervolgens belastte Jacques Hanet de montageverantwoordelijke in de veredeling, de heer Demoen, om samen met de constructeur West Point het spanningssysteem van de garenlaag en de kwaliteit van de rollen in het oxidatieveld te bestuderen. In 1971 werd het investeringsproject voorgesteld aan het directiecomité. Enkele leden van het comité geloofden echter niet in dit nieuwe procedé. In 1972 werd het project uiteindelijk door het directiecomité aanvaard.