Er komt nog veel meer

Francois Laurent

Een van de belangrijkste figuren uit de geschiedenis van het Gentse volksonderricht was ongetwijfeld de in het groothertogdom Luxemburg geboren François Laurent. Hij studeerde rechten in Luik, werd in 1836 hoogleraar aan de Gentse universiteit en verwierf een internationale reputatie als specialist in het burgerlijk recht. Zijn ontwerp voor een nieuw burgerlijk wetboek werd een visionaire tekst die hervormingen suggereerde op terreinen die pas in de voorbije decennia bespreekbaar werden, zoals de rechten van de vrouw en het statuut van de natuurlijke kinderen.

Tezelfdertijd maakte hij naam met historisch-filosofische publicaties waarin hij meermaals de strijd met de Kerk aanbond. Zijn conflict met de bisschoppen bereikte een hoogtepunt in de tweede helft van de jaren 1850. Samen met zijn collega's Hubert Brasseur en Gustave Callier werd hij beschuldigd van een onaanvaardbare aanval op het gezag van de Kerk en de christelijke waarden die zij vertegenwoordigde. Enkele van zijn teksten kwamen op de Index te staan wat hem enkel sterkte in zijn overtuiging dat secularisering en strijd tegen de onwetendheid twee kanten van dezelfde medaille waren. Consequent met die overtuiging ging hij zich onvoorwaardelijk inzetten voor emancipatie via gelaïciseerde vorming en officieel onderwijs, mooi verwoord in onder meer de huldeliederen die volksdichter Napoleon Destanberg over hem schreef.

Dit bleek ook uit zijn interventies als liberaal gemeenteraadslid (1864 tot 1872). In de raad zette hij het werk van zijn vriend en voormalig schepen van Onderwijs, Gustave Callier, voort. Hij werd internationaal bekend met zijn campagne voor het schoolsparen, waarvan hij de grondlegger was. Volgens Laurent was 'leren sparen' een eerste noodzakelijke stap om van meer welvaart te kunnen genieten, en volgens het adagio 'jong geleerd is oud gedaan', wou hij de arbeiderskinderen stimuleren om er een levenslange gewoonte van te maken. Door te sparen zou bovendien een integratieproces in gang worden gezet waarbij de arbeider reformisme of hervorming zou gaan verkiezen boven revolutie doordat hij ook zelf een stoffelijk belang zou hebben in het goed functioneren van de samenleving. Laurents publicaties over dit onderwerp, met als belangrijkste Conférence sur l'Epargne uit 1867, kregen internationaal weerklank en op zijn aandringen besloot de Gentse gemeenteraad het schoolsparen in te voeren in alle stadsscholen.

Ook publiceerde hij heel wat polemiserende teksten waarin hij pleitte voor maatregelen als de invoering van de leerplicht en een aansluitende regeling voor kinder- en jongerenarbeid.

Zijn belangrijkste realisatie buiten het kader van het gewone onderwijs was de oprichting van de naar hem genoemde werkjongens- en werkmeisjesgenootschappen. Binnen deze Laurentkringen, die in de opvang en verdere vorming van tieners en jonge adulten voorzagen, bloeide Laurent helemaal open. Hij hielp zelf mee bij de organisatie van activiteiten, de inrichting van tentoonstellingen of de bedelacties voor de tombola's.

François Laurent stierf begin 1887. Zijn vrouw Rosalia, een zus van justitieminister Victor Tesch, was hem reeds in 1860 voorgegaan. Laurent werd bijgezet in de grafkelder van Gustave Callier op de Westerbegraafplaats, en de burgerlijke plechtigheid werd geleid door zijn schoonzonen Hippolyte en Albert, de oudste zonen van Gustave Callier.

Zijn naam verdween nooit uit het straatbeeld. Nog in het jaar van zijn overlijden werd een bestaande school naar hem genoemd: het Laurentinstituut vond onderdak in twee eeuwenoude gotische gebouwen - het Wulfaert-Vilainsteen en het Hof van Schardau - in de Onderstraat, op een boogscheut van het stadhuis. Verbouwingswerken uit 1901 door Charles Van Rysselberghe gaven aan de school een neorenaissancegevel met uitbundige versiering en vele verwijzingen naar de deugden en waarden van het onderwijs.

In 1897, bij de viering van het honderdjarig bestaan van de universiteitsbibliotheek, kwam zijn naam als een van de grote weldoeners in gouden letters op de gevel van het gebouw in de Ottogracht te staan. Op het François Laurentplein werd in 1908 het monument voor Laurent onthuld terwijl vijfhonderd koorzangers er een aan hem opgedragen cantate brachten. Op een bronzen reliëf van meer dan twintig vierkante meter van de hand van Jules Van Biesbroeck, figureren de thema's onderwijs, filantropie, filosofie en recht met een beeld van de zittende Laurent op de voorgrond. Eerder merkwaardig is het feit dat dit beeld er enkel kwam dankzij de politieke steun van de socialistische voorman Edouard Anseele, die in zijn jeugd een beschermeling van Laurent was geweest. Uit katholieke hoek was om evidente redenen protest gekomen, maar ook enkele liberale verenigingen zoals het Van Crombrugghe's Genootschap en de Liberale Volksbond van Arthur Buysse hadden zich geroerd en wel omwille van een taalkwestie. De opschriften op het standbeeld voor de francofone Laurent waren immers ... eentalig Frans.

Op initiatief van de Bond der Oud-leerlingen der Gentse Stadsscholen werd in 1908 het Laurent Fonds opgericht, bedoeld als studiefonds voor onvermogende leerlingen van het stedelijk onderwijs. Dit fonds keerde in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog tot tweeduizend frank per jaar aan studiebeurzen uit. In het Museum voor Schone Kunsten bevinden zich nog een bronzen ontwerp voor een standbeeld door Julien Dillens, en een portret uit 1877, geschilderd door Lieven De Winne naar aanleiding van een liberale viering van Laurent op initiatief van Hippolyte Metdepenningen.

De stad noemde een straat naast de lokalen van de Laurentkring Vrijheidsliefde aan de Gasmeterlaan de François Laurentstraat. Later - om verwarring met het Laurentplein te vermijden - werd deze straat heel toepasselijk omgedoopt tot Spaarstraat. De Gentse rechtsfaculteit ten slotte, besloot om een van haar leeszalen in de Universiteitstraat aan Laurent op te dragen en stelde hem in 2006 voor als kandidaat voor de titel van 'Grootste Prof van de Gentse universiteit'. Laurent werd door de studenten en professoren in de top tien van dit VRT-evenement gestemd waar hij echter het onderspit moest delven tegen Joseph Guislain.

 

A. Heins

Zijn vader, Jean Nicolas Heins was afkomstig uit een familie van Luxemburgse (Grevenmacher) wijnbouwers. Hij studeerde aan de Luikse en Gentse kunstacademie en specialiseerde zich in de lithografie. Zijn moeder was Thérèse Jeanne Demaertelaere. Haar broer Louis Demaertelaere was een begaafd kunstschilder. Armand Heins had ook een oudere broer Julien (musicus-componist), een zus Adeline en een jongere broer Maurice die advocaat, stadssecretaris en fotograaf was. Armand Heins had dus het kunstenaarstalent in de genen.

Heins volgde lessen aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten van 1867 tot 1878. Dit laatste jaar verwierf hij de eerste plaats vὀὀr zijn vriend Gustave Vanaise. Hiervoor kreeg hij een premie van 3000 frank en een toelage van 500 frank van de stad Gent. Tijdens deze jaren was hij al actief als lithograaf in de drukkerij van zijn vader. Hij bekwaamde zich ook in aquarellen waarin de invloed van zijn oom Louis Demaertelaere duidelijk af te lezen viel.

Aangemoedigd door zijn plaats als eindlaureaat en de bijkomende premie ondernam hij met zijn vriend Fernand Scribe een studiereis naar Italië met een tussenstop in Parijs. Hier maakte hij kennis met kunstrichtingen en stijlen die toen in deze landen gangbaar waren. Zijn indrukken legde hij vast in talrijke aquarellen, schetsen en olieverfschilderijen die hij later bij thuiskomst tot prachtige etsen verwerkte. Dichter bij huis maakte hij schitterende schetsen en aquarellen van de landelijke omgeving buiten Gent en tijdens zijn tochten naar Zeeland en de kust. Zijn voorliefde voor het landelijke zal ook in zijn latere werken steeds terugkeren.

n 1879 was hij een van de oprichters van de Cercle artistique et littéraire in Gent. Daarin ontmoette hij andere bekende kunstenaars zoals Jean DelvinAlbert Baertsoen, Louis Tijtgadt, Théo Van RijsselbergheGustave Den Duyts e.a. Hij ontwierp catalogi met de werken van de vele tentoonstellingen die zij organiseerden.

Vanaf 1880 verbleef hij een tijdje in Brussel waar hij lid werd hij van de Société nationale des aquarellistes et pastelistes. Naar aanleiding van het vijftigjarig jubileum van de Belgische Spoorwegen werd een historische stoet ingericht waarvan Heins een luxueus album uitbracht. Door dit werk kreeg hij meteen de opdracht om de lokalen van de Beurs van Brussel met een fries waarin de elementen van de stoet verwerkt werden, te versieren. Ook in andere steden voerde hij decoratieve opdrachten uit. Dit was het geval in het Kasteel Hertoginnedal (Oudergem), het Oost-Vlaams Provinciegebouw, de benedenzaal van de Achtersikkel (Gent), de arsenaalzaal in het stadhuis van Gent, de bovenzaal van de Lakenhalle, de Handelsbeurs, Hotel Falligan, de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en Muziekacademie (allen in Gent). Vanaf dat jaar was Heins ook verbonden aan het Franse tijdschrift L'Illustration waarin hij tekeningen en teksten publiceerde.

De driejaarlijkse Salons in Gent, Antwerpen en Brussel, georganiseerd door de Société Royale pour l’encouragement des Beaux-Arts waren de ideale plek om jonge kunstenaars de kans te geven hun werk bekend te maken. Uiteraard was Heins een enthousiaste deelnemer aan deze evenementen waarin hij talrijke tekeningen, etsen en litho’s tentoonstelde. Zijn bekendste werk hierbij is ongetwijfeld het schilderij Un coin de la grande boucherie à Gand dat het interieur uitbeeldt van het Groot Vleeshuis in Gent. Met dit schilderij behaalde hij tijdens de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs een bronzen medaille. Het behoort nu tot de collectie van het Museum voor Schone Kunsten[2] in Gent. Verder nam hij nog deel aan verschillende buitenlandse tentoonstellingen waarin hij diverse onderscheidingen kreeg.

In 1896 bracht Victor Van der Haeghen (Gents universiteitsprofessor en stadsarchivaris) tijdens het Geschiedkundig en Archeologisch Congres te Gent het opstellen van een inventaris met de belangrijkste monumenten onder de aandacht. Als commissielid van de Stedelijke Commissie van Monumenten en Stadsgezichten[4] werkte Heins mee aan de publicatie van deze inventaris die bestond uit 570 fiches waarvan hij er 128 voor zijn rekening nam. In diezelfde geest werd in 1900 een Petite revue illustrée de l’art et de l’archeologie en Flandre uitgegeven, waarin Heins zijn bijzondere belangstelling voor "oude hoekjes" kon etaleren.

 

Katrien

 

John Massis

 

Walter de Buck

 

Romain de Coninck