Groot Vleeshuis

                                                                                                                                                                                                          73 foto's 

Het “Groot Vleeshuis” in kalkzandsteen werd oorspronkelijk ontworpen in de 15de eeuw door stadsbouwmeester Gillis de Suttere ter vervanging van de eerste houten vleeshal. In de 16de eeuw vonden verdere uitbreidingen plaats. Het complex werd meermaals verbouwd. Zo verdwenen in 1744 de dakkapellen. Volgens J.J. Steyaert in 1838 was het Vleeshuis “zeer gerieflyk ingerigt, alwaer men de orde en zindelykheyd bespeurt, welke in soortgelyke gebouwen zoo noodzaekelyk zyn. Daarbinnen was een kapel (of liever eenen altaer) aen St Antonius toegewyd; die in 1828 werd weggebroken.”
Het slachtafval werd uit het gebouw van het prestigieuze vleeshouwersambacht binnen het Vleeshuis geweerd en diende dus elders verhandeld te worden.
Oorspronkelijk zagen de Gentenaars de oplossing in houten barakjes die opgetrokken werden op de Hoyaard, het pleintje vlak naast de Graslei.
Later, in 1542 werden ze daar weggesaneerd en bouwde men aan de gevel van het Vleeshuis 16 esthetisch verzorgde, houten  “penscramen”  waar naast pensen ook wild en gevogelte verkocht werd. Dit was het enige vlees dat de armen zich konden veroorloven. Ze gingen niet binnen in het vleeshuis zelf, waar de beste stukken verkocht werden.
De penshuisjes deelden verder in de bloei en het verval van hun grote buur en dienden dus om de 100 jaar een grondige herstelbeurt te ondergaan.
Hun huidige vorm dateert van de laatste grote renovatie in het kader van de wereldtentoonstelling van 1913. Toen hadden ze al geruime tijd hun functie van verkoopspunt verloren.
Voor 1858 mochten Gentse slagers ten huize geen vlees verkopen, ze moesten dit doen in het Vleeshuis van de stad. Tijdens het ancien regime mocht in Gent niemand het beroep van de vleeshouwer uitoefenen tenzij de afstammelingen van de families Minne, Van Loo, Van Melle en Deynoodt. Zij kregen dit voorrecht van Keizer Karel V. Ze werden prinsenkinderen genoemd en genoten, zoals de visverkopers en de schippers, het recht om bij de inhuldiging van de graven van Vlaanderen tot erewacht te dienen. Zo telde het Groot Vleeshuis in 1752 op een totaal van 116 vleeshouwers 58 van Loos, 28 van Melles, 21 Minnes en 7 Deynoodts.
Nadat de slagers toelating kregen om ook thuis vlees te verkopen, ging die middeleeuwse instelling aan ’t vervallen. Er werden hoe langer hoe minder standen in en aan het Vleeshuis verpacht, tot de gemeenteraad in 1883 besloot definitief het Vleeshuis te sluiten.
De penshuisjes werden gesloopt in 1884 en bij de restauratie van 1912 gedeeltelijk heropgebouwd.
In 1884 werd het gebouw door het stadsbestuur verhuurd aan de post- en telegraafdiensten. Het Vleeshuis is sedert 1943 een beschermd monument.
Centraal in de voorgevel is een gotische beeldnis uitgespaard met het vermaarde gotische beeld van “O.L.V. met de inktpot” waarvan reeds sprake is in de 15de eeuw. Het huidige beeld dateert echter van 1814. Op de top ontbreekt het leeuwtje dat er nu op staat. In de 19de eeuw werd de trapgeveltop namelijk bekroond met één der leeuwen die vroeger de pilaren op de Groentenmarkt versierden.
Nadat het Ministerie zijn huurcontract voor de posterijen had opgezegd in 1920, werd het vleeshuis een markt voor fruit en groenten. In de jaren ’60 werd het gebouw gedeeltelijk tot autoparking, gedeeltelijk tot vishandel omgevormd. En in de jaren ’70 kreeg het vleeshuis de functie van polyvalente ruimte. De visverkoop bleef behouden.
In 1996 werd een vierde van het Groot Vleeshuisdak gerestaureerd. In deze ruimte van 193 m² werd het vloerniveau met 60 cm verlaagd, naar het oorspronkelijke middeleeuwse peil. In 2000 sloot de Economische Raad voor Oost-Vlaanderen een overeenkomst af met de stad Gent voor het gebruik van het Groot Vleeshuis als permanent promotiecentrum voor Oost-Vlaamse streekproducten. Daarvoor werd in het beschermde monument in 2001 een glazen paviljoen met waterdichte afdekking gebouwd.
De Leiegevel van het Vleeshuis werd lang verwaarloosd. In 1996 werd een vierde van het dak gerestaureerd. Er was serieuze waterinsijpeling. Meer dan 16 jaar gebeurde er niets. Onlangs werd aan de waterkant eindelijk de begroeiing verwijderd en werd het voegwerk vernieuwd. Een grondige dakrestauratie wordt voorzien binnen de twee jaar. De kosten daaraan verbonden worden op 4,5 miljoen euro geraamd!
Artikel verwerkt uit Gentblogt van Arthur De Deckker.

De Vleeshuisbrug kreeg in de loop der eeuwen menige naam. In 1274 sprak men van ’s Gravenbrug, in 1659 van Kraanbrug, in 1794 van Vleeshouwersbrug of Beenhouwersbrug. Tot in 1754 was ze in steen opgetrokken. In 1754 werd deze vervangen door een logge, smallere houten draaibrug, verbeterd in 1801 en 1876. In 1986-1988 werd de brug volledig vernieuwd, gelijktijdig met de vier andere Leiebruggen.

Er werden miljoenen franken geïnvesteerd om de Leiebruggen te kunnen open draaien. In de praktijk worden deze echter nooit gedraaid, daar dit naar verluidt het tramverkeer te veel zou hinderen.